26-12-10

Een andere geschiedenis van de Franse litteratuur (Jean d'Ormesson) ***

Mocht u om een definitie van de term ‘diletant’ verlegen zijn, lees dan ‘Une autre hisoire de la littérature française’ van de betrekkelijk succesvolle, ondertussen bijna tachtigjarige  Franse schrijver Jean d’Ormesson.

Succesvol? Als auteur van een twintigtal romans en een biografie van Chateaubriand, voor wie hij een ontembare bewondering koestert, als journalist bij het blad l’Express, als levensgenieter en rokkenjager, ja, ongetwijfeld succesvol. Doorheen de jaren bewonderd door de generatie die met hem oud werd, en nu, althans volgens het maandblad ‘Lire Magazine’, alweer sterk in trek bij de huidige generatie. Lid van de Académie Française -wat niet automatisch tot veel lof inspireert, het heilige instituut heeft meer dan eens blijk gegeven van complete zinsbehoocheling bij het uitkiezen van haar leden.

Toegegeven, het helpt om uit goedbedeelde afkomst voort te komen, en zich niet druk te hoeven makenom triviale zaken als geld. Maar d’Ormesson heeft –zo zeggen velen- ook een zeker talent, een eigen stijl zelfs.

 Deze ‘Een andere geschiedenis van de Franse litteratuur’ is het eerste werk van hem dat ik lees –zijn biografie van Chateaubriand staat al geruime tijd op mijn lijst. Het is het litterair testament van een zuivere diletant, een smaakvol parcours langs de schijvers die d’Ormesson hebben getroffen, geschreven met een lichtzinnige stijl, zuiver en alleen voor het genot van de schrijver.

Het enthousiasme waarmee hij tewerk gaat werkt aanstekelijk. In pennestreken van drie, vier pagina’s schetst hij een litterair portret van France iconen van Rabelais tot Malraux. Ze komen weliswaar niet allemaal aan bod, tenminste niet in dit eerste deel. Geen Zola, geen Montherland, geen Sartre en, wat misschien nog het meeste opvalt, op George Sand na geen vrouwen (De Beauvoir, Yourcenar, Duras).

Niettemin biedt het werk een ontegensprekelijke toegevoegde waarde. Het voordeel van de persoonlijke behandeling van de auteurs –de persoonlijke meningen van d’Ormesson-, is dat het alle flauwe aftrekseltjes van een Wikipedia zeer sterk overstijgt. Tevens is het een interessante introductie tot schrijvers die ik in mijn leven wellicht nooit zal lezen (La Rochefoucault, Boileau, Vigny, Claudel, etc.).

Het werk bevat interessante inzichten en gevatte samenvattingen van heel wat Franse auteurs. Enkele nota’s voor mezelf, in het wilde weg:

 

  • Rabelais vergelijken met James Joyce –beide gebruiken de taal als een zoektocht; 
  • Cardinal de Retz, een soort Don Juan die in zijn Mémoires nogal scherp tegen Richelieu inging (‘Il avait assez de religion pour ce monde’); 
  • ijzingwekkend date en La Rochefoucault in zijn Maximes uit de XVIIe eeuw reeds noteerde: ‘L’intérêt personnel règne partout dans les âmes et il se donne des allures vertueuses’, het had zo van toepassing kunnen zijn op het bankiersmilieu van de 21e eeuw ; 
  • treffende analyse van de verschillen tussen Racine and Corneille: daar waar die laatste vooral over mannen had, overwinningen en waarvan het toneel steevast een goed einde werd toebedeeld, is het bij Racine net ondersom: deze schrijft over passie, over vrouwen, en meestal lopen zijn werken slecht af; 
  • Verrassende stamboom: volgens d’Ormesson zouden Robespierre en Chateaubriand beide romantici zijn die zich door Rousseau lieten inspireren (Robespierre een romanticus?). En schrijvers ald Hugo en Aragon zouden zich dan weer op het romantisme van Chateaubriand hebben geïnspireerd (Hugo: ‘être Chateaubriand ou rien’); 
  • nog verrassender: Le Rouge et le Noir, van Stendhal, op hetzelfde niveau tillen als Das Kapital, beide boeken gaan om de klassestrijd; 
  • de overgevoelige Lamartine schrijft ‘Le Lac’ terwijl hij vruchteloos in Zwitserland wacht op zijn geliefde die niet komt omdat ze stervende is:

 

“Ainsi, toujours poussés vers de nouveaux rivages,

Dans la nuit éternelle emportés sans retour,

Ne pourrons nous jamais sur l’océan des âges

                Jeter l’ancre un seul jour ?

O lac ! l’année à peine fini sa carrière,

Et près des flots chéris qu’elle devait revoir

Regarde ! je viens seul m’assoir sur cette pierre

                Où tu la vis s’asseoir »

(of, bloedmooi :

« pourtant le soir qui tombe a des langueurs sereines

Que la fin donne à tout, aux bonheurs comme aux peines »

 

  • in tegenstelling tot Proust heeft d’Ormesson wel bewondering voor de Correspondence van Flaubert, al moet hij toegeven dat Flaubert niet echt over litterair talent beschikt. 
  • De vader van d’Ormesson heeft Paul Morand nog persoonlijk gekend –beide waren diplomaten, niet ongewoon dat diplomaten vaak auteurs zijn trouwens: Stendhal, Chateaubriand, Claudel, Giraudoux, Saint John Perse, Romain Gary), maar hij had er geen te hoog opinie over, al vind ik persoonlijk zijn omschrijving van het ideaal van het schrijverschap ‘la contraction de l’huître sous le citron’ bijzonder mooi. 
  • (ik sla er heel wat over) Quesneau was volgens d’Ormesson niet enkel een van de sterkste en charmantste geesten uit zijn tijd -wat ik niet betwijfel- maar tevens een uitzonderlijk begaafd dichter –wat ik na het lezen van onderstaande ook al niet meer betwijfel:

 

“Si je parle d’un temps, c’est qu’il n’est pas encore,

Si je parle d’un lieu, c’est qu’il a disparu

Si je parle d’un homme, il sera bientôt mort

Si je parle du temps, c’est qu’il n’est déjà plus… »

 

‘Une autre histoire de la littérature française’ is geen hoogstaande litteratuur, maar een uiterst aangenaam werk van de hand van een ware diletant.

Noot aan mezelf, toe te voegen aan mijn leeslijst: Lamartine, de correspondentie van Voltaire, ‘Bouvard et Pécuchet’ van Flaubert, ‘La semaine Sainte’ van Aragon.

Gepost door Frederic De Meyer | Permalink | Commentaren (0) | |  Facebook | | | | Pin it! | |  del.icio.us

De commentaren zijn gesloten.