29-04-10

De Tovenaar (V. Nabokov) ****

Mag litteratuur alle onderwerpen behandelen ? Ja. Wat mij betreft is het juist een van de voornaamste doelstellingen –misschien zelf een fundamenteel bestaansreden- van de litteratuur om alle onderwerpen te belichten, in zoveel mogelijke vormen, vanuit elk denkbaar perspectief. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat het louter bespreken van een onderwerp het tot litteratuur verheft. Daarvoor is een stijl nodig die verwondering opwekt of die uitnodigt tot nadenken, een narratieve structuur die impliciet onderliggende verhalen suggereert of een alternatief plot mogelijk maakt, die de verbeelding prikkelt, de zenuwen bestreelt, een geheel vormt waarvan de nasmaak tot voor, tijdens en na het slapengaan blijft duren en een gevoel achterlaat dat dagenlang –zoniet een heel leven- nazindert. Een roman moet een eigen leven opwekken in de lezer ervan, een onafhankelijk orgaan doen ontstaan dat een wezenlijk, vitaal onderdeel wordt van het leven van de lezer, wiens eigenbeeld onvolledig zou zijn zonder die ene roman, zonder die ene zin, dat ene beeld dat door een schrijver zou worden geïnsinueerd. Men is wat men leest ? Neen, men is wat men ervan onhoudt, wat men ervan in zich meedraagt. En een schrijver, een auteur, is niets anders dan de som van alle veranderingen, alle geesteswendingen die hij in zijn lezers heeft teweeg gebracht.

Maar goed, terug naar ‘De Tovenaar’ van Nabokov, waarvan de lezing me een vaag onpasselijk gevoel gaf, omwille van het onderwerp, hoewel het onmiskenbaar behoort bij wat de wereldlitteratuur als meest impactvolle, als meest verrijkende te bieden heeft.

In veel opzichten is ‘De Tovenaar’ een voorontwerp van Nabokov’s ‘Lolita’, hoewel de schrijver zelf beide werken als volledig los van elkaar beschouwde. Feitelijk is enkel het thema gelijkaardig. ‘Lolita’ heb ik zo’n 15 jaar geleden gelezen, maar van wat ik me ervan herinner werd de passie er net iets meer verholen, werd de rauwe sexuele aantrekkingskracht van het roofdier er net iets minder expliciet behandeld.

‘De Tovenaar’ daarentegen laat niets aan verbeelding over. In de eerste twee pagina’s spreekt een ‘ik’ die zich lijkt te verantwoorden, of die tenminste een uitleg zoekt voor zijn sexuele geaardheid. Hij doet dit overtuigend, rationeel, men zou bijna geloven dat hij goedaardig is, al ziet een aandachtige lezer de zwakheden van zijn betoog –en daardoor de impliciete dreiging die van het personnage uitgaat- in: ‘Grove zinnelijkheid is omnivoor; de subtiele vorm veronderstelt oververzadiging’ (p. 17).

Na deze inleiding springt Nabokov over naar de ‘hij’ vorm, als om duidelijk te maken dat hij zich de stellingen van het personnage niet eigen maakt (de analyse van Nabokov’s zoon over ‘De Tovenaar’ en ‘Lolita’ zijn overduidelijk in die zin: Nabokov’s interesse in het onderwerp moet gezien worden in een bredere interesse voor afwijkende, geesteszieke toestanden).

We volgen een man die op een bank in een park plotseling passioneel verliefd word op een jong meisje, dat al rolschaatsend naar een vrouw op dezelfde bank komt aangereden. Hij knoopt een gesprek aan met de vrouw, waarvan hij verneemt dat zij het meisje opvangt in een dorp op het platteland, omdat de echte moeder van het kind zwaar ziek is.

Meteen smeedt de man allerlei plannen om zo veel als mogelijk dicht bij het meisje te vertoeven. Hij huwt zelfs met haar moeder, die op stervens na dood is en voor wie hij een wezenlijke walging ervaart.

De psychologische ontwikkeling, een mengeling van plannen en toekomstdromen die voortdurend gedempt worden door de werkelijke omstandigheden, culmineert in de scène van de huwelijksnacht, waarbij het hoofdpersonnage voelt dat er van hem verwacht wordt dat hij de liefde bedrijft met zijn bruid. Een hoogtepunt dat een aantal pagina’s lang blijft aanhouden...

De moeder sterft uiteindelijk, waardoor de man de voogdij krijgt over het kind. Op dat ogenblik lijkt nog rationeel tegen de situatie aan te kijken–tenminste, hij probeert zichzelf in zijn opwinding zijn ultieme droom verwezenlijkt te zien, tot matiging en geduld te dwingen.

Hij besluit met het meisje op reis te gaan naar het zuiden. De eerste nacht belandt hij in een hotel waar de enige beschikbare kamer een dubbelbed bevat. De rest moet u zelf maar lezen, vrees ik, maar de verwarde geestesstaat van de man kan met deze ene zin getypeerd worden: ‘Hij kon het brandpunt van zijn geluk gewoon niet vinden, hij wist niet waarmee hij moest beginnen, wat hij kon aanraken en hoe hij binnen de grenzen van haar rust ten volle van dit uur kon genieten’.

 

Het werk stoort, laat dat duidelijk zijn. Niet zozeer –of niet enkel- omwille van het onderwerp –een man die allerlei snode plannen ontwerpt om een jong meisje te ‘verroveren’-, maar vooral omwille van het genuanceerde beeld dat geschapen wordt van ‘het monster’. De instrospecties van de man geven een beeld van een rationeel persoon, die beseft dat hij ergens een monster in spé is, maar er danig van overtuigd is dat hij zijn driften in de hand kan houden. Dit gegeven vormt een constante onderliggende dreiging in de roman... Alsmede een grote confrontatie voor de lezer, want men zou het monster gaan geloven in zijn logica, en juist door dat geloof groeit een vorm van medelijden met de persoon. Medelijden voor het monster...

Of zoals Nabokov’s zoon in een nawoord schrijft: ‘De gelaagdheid van het verhaal blijkt het frappantst in de beeldspraak met zijn dubbele en driedubbele bodems. [...] Meervoudige niveaus en betekenissen komen zoals bekend bij Nabokov veelvuldig voor. Maar het koord waarover hij loopt is hier scheermesdun, en de virtuositeit bestaat in een opzettelijke vaagheid van verbale en visuele elementen met als som een complexe, op geen andere wijze definieerbare, maar volstrekt nauwkeurige eenheid van communicatie.’

Nabokov 2

 <-->

Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | |  Facebook | | | | Pin it! | |  del.icio.us

De commentaren zijn gesloten.