16-04-10

Het Keerpunt (Klaus Mann)

In navolging van ‘De Wereld van gisteren’ van Stefan Zweig , dat ik een aantal weken terug gelezen heb, heb ik me de laatste weken toegelegd op de autobiografie van Klaus Mann. Hoewel beide heren verschillen van leeftijd, hebben ze de cruciale jaren Twintig van de vorige eeuw ongeveer op dezelfde manier beleefd. Ik was benieuwd of Klaus Mann een ander beeld zou scheppen, nieuwe gezichtspunten zou beschrijven of andere accenten zou leggen in vergelijking met Zweig. En, toegegeven, ik was tevens benieuwd naar Klaus’ ervaring met zijn vader, ‘De Tovenaar ‘Thomas Mann.

De biografie wordt pas echt interessant vanaf de jaren Twintig, wanneer Klaus als prille twintiger de wereld rond reist. Daarvoor schrijft Klaus de obligate hagiografie van zijn familie - de frivole grootvader die met een Braziliaanse métisse huwt, het huwelijk van vader Thomas met een vrouw uit de hoogste standen van Munchen. De eerste zware teleurstellingen, wanneer blijkt dat de gouvernante die de Mann kinderen van kleinsaf aan mee heeft grootgebracht, een kleptomane is die hen (ook de kinderen) al jaren bestal. Een paar mooie anekdotes ook, bijvoorbeeld hoe de kinderen ertoe kwamen hun vader de bijnaam ‘De Tovenaar’ te geven (Klaus en zijn broer Golo hadden bij het slapengaan angstaanvallen omdat ze spoken zagen. Vader Thomas kwam hen in hun kamer bezoeken om een ‘strategisch plan’ te bespreken. Eerst stelt hij voor dat ze de spoken volstrekt negeren, die zouden uit verveling of schaamte dan wel vanzelf weggaan. Mocht dat niet lukken, zo gaat hij verder, moeten ze de spoken maar vragen elders angst te gaan inboezemen, dat een kinderkamer geen plek is waar een zichzelf respecterend spook in ronddwaalt. En mocht dat niet lukken, besluit vader Thomas, moeten ze de spoken vertellen dat hun vader nogal geïrritteerd kan worden als er lelijke verschijningen in zijn huis rondlopen, en dat ze in de spokenwereld maar al te goed weten hoe schrikwekkend de woede van Thomas Mann wel kan zijn. Deze strategie was zo doeltreffend dat beide broers hun vader ‘De Tovenaar’ zijn gaan noemen).

Het relaas van de jeugdjaren doorspekt Klaus met een aantal diepere analyses, over de aard van de autobiografie, bijvoorbeeld –net als Proust is hij van mening dat de realiteit pas vorm neemt bij de herinnering eraan- maar vooral over zijn generatie, waar hij een niet al te vleiend portret van schetst. Enerzijds is het verbazend vast te stellen hoe vrijgevochten, anarchistisch en intellectueel de jeugd –althans de jeugd die uit hetzelfde beschermde milieu als Klaus komt- was, maar in Klaus’ ogen was diezelfde jeugd fundamenteel onevenwichtig want ze werden grootgebracht in een maatschappij die ‘doelloos’ was geworden, zonder wil tot leven, rijp voor het verval.

Midden jaren Twintig begint Klaus intensief te reizen. Hij houdt helemaal niet van het stugge Londen, wordt verliefd op Parijs en Tunesië, en is gedegouteerd van het fascistische Italië. Hij keert terug naar Parijs waar hij een groot aantal blijvende relaties aanknoopt, onder meer met de dichter René Crevel van wie hij een heel indringende beschrijving maakt. Zijn reizen brengen hem op toernee doorheen de VS (enkele van zijn werken waren er al uitgegegeven), om via Japan en Rusland terug naar Europa te keren. Het contact met de andere culturen heeft hem alleszins doen inzien dat Europa ondanks –of juist door- haar tegenstrijdigheden alle kiemen van een ‘ideële’ humanisme in zich houdt.

Dit idee drijft Klaus wellicht naar idealistische keuzes (hij noemt ze zelf eerder ‘naïef’). Zo wordt hij fervente aanhanger van het ‘Pan-Europese’ initiatief van Schneider-Creuzot, dat een nauwere integratie tussen Duitsland en Frankrijk voorstond. Naïef of niet, zoals zo vaak in zijn leven ‘belichaamt’ Klaus zijn ideaal, zonder het zelf te beseffen. Als Duitser heeft hij een passie ontwikkeld voor vele Franse schrijvers en denkers –zo getuigen zijn prachtige beschrijvingen van Cocteau, Gide, Jean Giraudot, Julien Green. Hoe kon hij anders dan een Frans-Duitse integratie te wensen ?

Eind jaren Twintig begint de sfeer in Duitsland ernstig te verzieken, maar is nog niet geheel verzuurd, zo getuige deze relatief ludieke anekdote: op een gegeven ogenblik bevinden Klaus (voor een vierde Jood) en een Engelse vriend zich op een toespraak van Hitler, waarin deze hij de Joden van alle kwaad in Duitsland beschuldigt. Tenmidden van de dolenthousiaste menigte slaat de Engelse vriend van Klaus uit: ‘Zijn ze gek? Dit is walgelijk !’. Een mens moet durven...

De sfeer verziekt pas werkelijk in de jaren Dertig. Klaus zelf verstaat niet waarom de meeste van zijn vrienden en mede-intellectuelen zich niet ronduit tegen Hitler uitspreken, het zegt al veel. Klaus heeft overigens Hitler van heel dichtbij gezien – hij zat aan een naburige tafel in een tea-room zich vol te vreten van zijn lievelingstaartjes. Klaus bekijkt hem lang en komt tot de conclusie dat iemand met zo’n neus nooit over Duitsland kon heersen...

De sfeer verziekt onontkomelijk. In ’32 wordt Hitler kanselier en begint voor Klaus een lugubere confrontatie met een reeks zelfmoorden van mensen die hem dierbaar zijn, een reeks die zich verder zet tot het einde van zijn biografie. De reeks begint met twee tantes en zijn beste vriend met wie hij een reis zou ondernemen naar Iran (toen nog Perzië).

De jaren Dertig worden gekenmerkt door de immigratiegolf van Duitsers. Ook de familie Mann verhuist naar de VS. In die jaren zwerft Klaus wat doelloos rond. Hoewel hij resoluut anti-fascist is, voelt men dat hij geen politieke ‘ruggegraat’ heeft, hij is nog zoekende. Zijn overtuigingen vormen zich voornamelijk door dat waarin hij NIET gelooft. Het is pas bij het uitbreken van de oorlog dat Klaus politiek positie inneemt. Hij denkt na over het feit of geweld al dan niet gerechtvaardigd is om geweld tegen te gaan (Ghandi en Tolstoï argumenteren voor een volstrekte geweldloosheid), en hij begint de complexiteit in te zien van de na-oorlogse situatie (‘de overwinning van de democraten kan vrede brengen –ik durf niet te zeggen: ‘zal’ ‘).

De jaren 1940-42 komen aan bod aan de hand van notities uit zijn journaal, de jaren 1942-45 bestaan uit brieven die hij stuurde van het front –met veel moeite werd hij tot ‘US Citizen’ genaturaliseerd om aan de zijde van de geallieerden te gaan vechten. Beide leveren mooie inzichten, maar bovenal laten ze een beeld achter van een zoekende, twijfelende man, een man die zin probeert te geven aan zijn leven, ondanks alle tegenslagen: het groeiende aantal zelfmoorden van vrienden, vrienden die zich ronduit tegen hem keren, het faillissement van zijn anti-fascistisch tijdschrift.

Niet verbazend dat hij zo wanhopig poogt zich in de US Army in te lijven, hij probeert ergens bij te horen, te participeren in plaats van te aanschouwen. Hij neigt zelfs even naar een verwarde vorm van mysticisme: (over geloof) ‘Hij bestaat! Aangezien we ons zijn bestaan kunnen inbeelden, wordt Zijn niet-bestaan ondenkbaar. Het denken aan het Heilige kan niet anders dan een Heilige oorsprong hebben. Het twijfelen aan God, het zoeken naar God, wordt een bewijs van het bestaan van God.’

In dit opzicht vormt ‘Het Keerpunt’ een prachtige getuigenis: hier spreekt een wijfelende, groeiende man, een man die grif zijn tekortkomingen toegeeft, zijn naïeviteit in het herkennen van de politieke invloeden die zo bepalend gingen worden , hoe een jongen in het beschermd milieu van de jaren Twintig van vorige eeuw opgroeide. In die zin is deze autobiografie van wezenlijk belang. Maar anderzijds...

Anderzijds wordt er heel weinig vrijgegeven over de echte Klaus Mann. Bijvoorbeeld, ik het het boek getuigt Klaus van heel veel respect, ontzag bijna, wanneer hij over zijn vader spreekt. Nooit een kwaad woord. Hij lijkt inspanningen te doen om enkel de goede aspecten aan zijn relatie met zijn vader te belichten (zoals wanneer zijn vader hem een exemplaar signeert van zijn Nobelprijswinnende ‘De Toverberg’:

“ Aan mijn gewaardeerde collega.

Een beloftevolle vader.”

Het geeft de complexiteit aan in hun relatie. Klaus zal zich nooit kunnen ontdoen van de druk, het gewicht van de notoriëteit van zijn vader. Thomas was er zich van bewust, en probeerde er wellicht ondanks zijn stugge houding tekenen van affectie te tonen. Althans, in Klaus’ ogen – Klaus doet alle moeite om een portret te schilderen van zijn vader als permissieve, antentvolle vader. Mijn punt is dat er op dat vlak –zijn relatie met zijn vader, het gebukt gaan onder het gewicht van de vaderlijke naam- bitter weinig eerlijks in de autobiografie te lezen valt.

Hetzelfde geldt voor Klaus’ homofilie. Ook daarover blijft hij zwijgzaam. Het moet nochtans op hem gedrukt hebben, of tenminste een wezenlijk bestanddeel hebben uitgemaakt van zijn levelsvisie, zijn wording als intellectueel ?

Het zijn twee minpuntjes, maar ze nemen niet weg dat ‘Het Keerpunt’ een monumentale getuigenis is van een tijdperk, onmisbaar voor wie de eerste helft van de vorige eeuw beter wil begrijpen...

 

Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | |  Facebook | | | | Pin it! | |  del.icio.us

De commentaren zijn gesloten.