02-12-09

L'empereur d'Occident (Pierre Michon)

Ik ben niet vies van wat moeilijkere teksten. Ik kan me bijvoorbeeld zalig opwinden om de ongelofelijk bochtige redeneringswijze van een José Bergamin, of me amuseren met het lezen van een Nietzsche of een Schopenhauer. Maar deze heren (en dames die ik niet heb genoemd) doen aan polemiek en filosofie. Het zijn essays.

 

Michon geeft me de indruk dat hij wat schippert tussen de essay-vorm en de pure roman. Ik zou graag willen uitleggen waar zijn ‘L’empereur d’Occident’ over handelt, maar ik kan dit niet, gewoon omdat ik er kop noch staart in kan herkennen. Het is geen slechte wil; ik versta gewoon niet waar het over gaat. Goed, de grote lijnen heb ik wel verstaan, mijmeringen van een romeinse keizer over de ontmoetingen die hij zijn leven hebben verrijkt –niet in het minst de denkbeeldige ontmoetingen (?) met zijn eigen vader (?); alsmede over de daden die hij heeft (moeten?) stellen en de (zijn?) bedenkingen hierover. Meer vraagtekens dan antwoorden.  Het thema werd overigens reeds eerder en –mijn inziens- met meer brio behandelt (De ‘Mémoires d’Hadrien’ van Yourcenar indachtig).

 

Met wie hij precies converseert, wie de ‘leugenaar’ is waarover hij spreekt, wat zijn algehele bedoeling is, blijft me vreemd. Dit komt voornamelijk door zijn zeer gewrongen taalgebruik. Een voorbeeld:

 

‘Ici commença, bien que nos âges fussent si divers, bien que je mentisse en faisant mine de le prendre pour un autre, pour n’importe quel autre, qu’il mentît en acceptant d’être cet autre et enchérit même sur son altérité, ici commença ce qu’il me faut bien appeler notre amitié. Dès ce premier jour, je m’assis auprès de lui sur le petit banc de pierre ; et, comme je contemplais aussi les voiles, nous parlâmes naturellement de navigation, des amis de la rame et des vaisseaux noirs, de navigation et de poésie grecque : car l’une ne peut être dite sans l’autre, à tel point qu’on ne sait laquelle est le texte de l’autre, et si d’abord on jeta de frêles charpentes goudronnées, ou des mètres de justes synthaxe, sur le plus hasard de la mer et des langues. Il pensait quant à lui que le poème précède le navire, comme le Père est avant le fils ; je me souvins qu’on m’avait dis qu’il était arien.’

 

Dit neigt naar poetische prosa –van het beste soort weliswaar-, maar het voorbeeld hierboven is een uitzondering, Michon houdt dit niveau niet doorheen het boek.

 

Los van het feit dat hieruit niet kan worden opgemaakt waarover het gaat –noch wat hieraan voorafgaat of erop volgt biedt enige verlichting- staan hier enkele mooie gedachten in. Dat de Griekse dichtkunst al dan niet de uitvaart van een vloot zou voorafgaan –verbeelden-, bijvoorbeeld. Maar terug, de talrijke andere mooie beelden in het boek verdrinken in een onnodig complex taalgebruik.

 

De dichtheid van al de gedachten hoeft op zich ook geen probleem te zijn –tenslotte ben ik een fan van Gide. Maar bij Michon neigt deze condensering van gedachten eerder naar verwarring, naar een soort Boudhistische knoop die geen aanknoping vindt, zelfs niet met zichzelf.

 

Het nochtans mooie taalgebruik lijkt nergens heen te leiden, maar misschien mis ik het –zijn- punt. Michon’s ‘Vies Minuscules’ staat nog op mijn nachtkastje, maar ik moet toegeven dat ik sceptisch ben geworden.

 

Michon l empereur doccident

 <-->

Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | |  Facebook | | | | Pin it! | |  del.icio.us

De commentaren zijn gesloten.