06-09-09

De tijd, die grote beeldhouwer (M. Yourcenar)

Ik geef het grif toe, ik ben verslaafd geraakt aan Yourcenar sinds ik haar ‘Mémoires d’Hadrien’ en ‘Oosterse Novelles’ heb gelezen. Ik heb ondertussen een voorraadje opgeslaan dat mij tenminste een aantal maanden zoet zou moeten houden –misschien zelfs langer, tenslotte liggen hier nog andere auteurs op mij te wachten.

 

In afwachting heb ik mijn tanden gezet in een bundel essays van haar hand ‘De tijd, die grote beeldhouwer’, waarin de meest diverse thema’s aan haar scherpzinnige mening worden blootgelegd.

 

In het stuk ‘La Gita Govinda’ bijvoorbeeld, biedt Yourcenar in haar bondige stijl niet enkel een studie van het erotisme in de godsdienstige litteratuur van het Hindouisme -en in de Indische maatschappij in het algemeen- , maar trekt ze haar gedachte met enkele rake observaties door naar de gehele wereldlitteratuur. Het voornaamste doel van deze studie lijkt echter de uiterst ambiguë –en uiteindelijk vrij hypocriete- houding aan te tonen van verscheidene godsdiensten tegenover erotiek, en welke impact deze houding heeft op de behandeling van dit thema in de litteratuur en de kunsten in het algemeen. « A  l’époque où le sculpteur hindou représente avec tant d’aisance les ébats de Krishna et de ses vachères, les images de l’Enfer hindouiste menacent les luxurieux de tourments aussi atroces que ceux qu’infligent aux pêcheurs charnels les diables de nos cathédrales ».

 

Een ander stuk ‘Qui sait si l’âme des bêtes va en-bas’ behandelt dan weer de wreedheid van de mens tegenover dieren –in 1981 ! Het is geen ongenuanceerd pamflet voor de bescherming van de dierenrechten, hoewel de doelstelling uiteindelijk dezelfde is. Yourcenar probeert eerder aan te tonen dat er een nieuwe stap is gezet in onze destructieve houding tegenover de dieren, met name omdat we ons van hen hebben vervreemd. Vroeger was er nog een zekere link met het dier, zelfs al mishandelde men het, men kon het bij manier van spreken nog bij naam noemen. In vroegere tijden was onze wreedheid tegenover dieren veeleer te verklaren door simpele domheid:

 

«Il aimait son âne, ce paysan marocain qui venait de l’entendre condamner à mort, parce qu’il avait, des semaines durant, sur ses longues oreilles couvertes de plaies de l’huile de carburant, jugé plus efficace, étant plus chère, que l’huile d’olive qui abonde dans sa petite ferme. L’horrible nécrose des oreilles avait peu à peu pourri l’animal tout entier, qui n’avait plus longtemps à vivre, mais continuerai jusqu’au bout sa tâche, l’homme étant trop pauvre pour consentir à le sacrifier

 

Vrij vertaald : « Hij hield van zijn ezel, die Marokkaanse landbouwer die vernam dat zijn ezel ten dode was opgeschreven aangezien hij zijn verwonde oren wekenlang met brandolie had ingesmeerd, die efficiënter werd geacht dan het overvloedig beschikbare olijfolie om de simpele reden dat het duurder was. De schrikwekkende wonde aan zijn oor verrotte langzamerhand het gehele beest, dat niet lang meer te leven had, maar dat tot het eind haar taak zou volbrengen gezien de man te arm was om er mee in te stemmen het lijden van het dier te verkorten

 

Yourcenar, de subtiliteit zelve, poneert nergens dat de ene wreedheid erger is dan de andere, ze toont enkel aan dat er een verschil is tussen de industriële behandeling van de dieren heden ten dage, en de meer persoonlijke wreedheid waarmee men er vroeger mee omging.

 

In een ander –even bloedig- stuk, ‘La noblesse de l’échec’, levert Yourcenar een recentie van het laatste boek van Ivan Morris, expert in Japanse litteratuur en maatschappij. Ze verweeft deze recentie met haar eigen –niet ondeskundige- visie over hetzelfde thema, waardoor het een beetje moeilijk wordt te herkennen welke gedachten van Morris of van haarzelf komen. Deze speelsheid levert niettemin een boeiend inzicht in de poëtische manier waarop in de Japanse litteratuur wordt omgegaan met het thema doodgaan, alsmede de historische context van de zelfmoord en waarom verliezers vaak als helden worden omschreven in de Japanse cultuur.

 

Elders speelt Yourcenar met gedachten die Michelangelo zou hebben gehad voor zijn minnaar, en bij wijze van spiegelbeeld, zijn discipelen voor hem. In ‘Sur un rêve de Dürer’ mijmert ze over diens mysterieus werk –of eerder: diens nachtmerrie- ‘De visie’.  In ‘Cette facilité sinistre de mourir’ (waarvan de titel uit een vers van Victor Hugo komt) laat ze haar gedachten de vrije loop naar aanleiding van een mysterieuze zelfmoord van twee jonge geliefden.

 

De mooiste tekst komt uit de essay waaraan de bundel zijn titel ontleent, ‘Le Temps, ce grand sculpteur’, waarin Marguerite Yourcenar de verouderende, vervallen, vernielde Griekse en Romeinse beelden –en de beeldhouwkunst tout court- bij manier van spreken ‘vermenselijkt’. Met een tedere, bijna moederlijke pen beschrijft ze hoe uit een rotsblok een menselijke of goddelijke gedaante wordt gedistileerd, om via verschillende manieren van verval weer tot vormeloze minerale rotsblok te verworden. De gedaante die de beeldhouwer hem zal hebben gegeven zal slechts een relatief ogenblik hebben geduurd. Misschien schreef ze wel een persiflage op ons eigen menselijke bestaan. Yourcenar had niet de gewoonte om lang uit te wijden over de achterliggende bedoelingen van haar werken. Wat niets wegneemt aan de schoonheid ervan.

 

 yourcenar 6

Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | |  Facebook | | | | Pin it! | |  del.icio.us

De commentaren zijn gesloten.