30-08-09

Afrikaanse bekentenis (Roger Martin du Gard)

Gedreven door een nieuwsgierigheid naar de litteraire vrienden van André Gide, heb ik onlangs ‘Confidence Africaine’ (‘Afrikaanse bekentenis’) van Martin Du Gard gelezen. Het is mijn eerste introductie tot Du Gard’s werk, en zeker een die naar meer smaakt.

De verteller uit ‘Afrikaanse bekentenis’ beschrijft hoe hij elke dag op bezoek gaat bij een aanverwante die in een ‘sanatorium’ (een psychiatrische instelling, zoals die vroeger werd genoemd) vertoeft. Hij raakt er bevriend met een andere oude man die er elke dag zijn stervende neef bezoekt. De verteller raakt ontroerd door het zichtbare verdiet van de man voor zijn stervende neef.

Na de dood van de neef keert de man terug naar zijn niet-nader-bepaalde Noord Afrikaanse stad, waar hij met zijn zuster, haar man en hun zes kinderen woont, die er een boekenwinkel uitbaten. De verteller gaat hem er een aantal keren bezoeken –de beschrijving die hij van de zuster en haar kinderen maakt is ronduit wansmakelijk te noemen. Na een van deze bezoeken nemen ze samen de boot terug naar Frankrijk, en op de boot doet de man zijn ‘bekentenis’.

Feitelijk doet hij er zijn levensverhaal: hij beschrijft hoe hij en zijn zuster na de vroegtijdige dood van hun moeder verwaarloosd werden door hun vader, en apart gingen wonen in een kamer die ze met een doek in twee verdeelden. Hoe hij en zijn zus naar elkaar toegroeiden tot de puberteit hem naar andere vrouwen deed hellen. Op een nacht bracht hij een meisje in de kamer en bedreef er –duidelijk hoorbaar voor zijn zuster- de hele nacht de liefde mee. Vanaf dan loopt de relatie tussen broer en zus bergafwaarts, ze pesten elkaar tot het punt dat ze in een vechtpartij zodanig in elkaar verstrengeld raken dat de haat die ze voor elkaar hadden zich omvormde tot een dierlijke, wilde liefkozing.

Ze leven een aantal jaar in deze bestiale idylle tot hun vader beslist dat het tijd wordt om haar uit te huwelijken aan een oudere man. De minnaars zijn ten einde raad, maar leggen zich neer bij deze belissing, die dragelijker wordt gemaakt door hun belofte om eerst een kind te creëren uit hun liefelijke verbond. Na het huwelijk vertrekt de broer naar het front en wanneer hij terugkomt vind hij zijn zuster terug met zeven kinderen. Ze is vrijwel onverschillig geworden om de band die ze vroeger hadden. Hij ontfermt zich over het oudste kind, dat in tegenstelling tot de andere kinderen zwaar ziek is geboren.

U vergeeft me hopelijk dat ik het verklap: het kind dat hij in het sanatorium bezoekt is ontstaan uit zijn relatie met zijn zuster. De man vertelt het relaas zonder schaamte, als de evidentie zelve, en laat zijn toehoorder de vrije keuze om al dan niet over hem te oordelen.

De strekte van Du Gard –voor zover ik kan oordelen op basis van deze dunne roman- ligt niet zozeer in zijn verhaallijn, dat nochtans sterk en evenwichtig in elkaar steekt, maar in zijn narratieve talent, dat ergens schippert tussen het rauwe naturalisme –zoals onder meer de beschrijving van de zuster de eerste keer dat hij haar ziet- en de verfijning van een Gide, onder meer in de dialogen op de boot. Vrij dicht bij de vrijheden die een Jean Genet zichzelf verleende, en in de context van de prille twintigste eeuw wellicht verfrissend aanvoelend voor de lezer.

Zoals gezegd is het echter de sappige naturalistische beschrijving van de huiselijke sfeer bij de zuster, die mij in deze roman zal bijblijven, zoals wanneer hij in de laatste paragraaf ironisch aangeeft dat deze bekentenissen niet in hun geheel mogen worden uitgegeven, zeker de beschrijving van de zuster, waarbij hij deze nogmaals herhaalt:

“...il faudrait aussi changer la fin, à partir du retour de Sicile… Et surtout ne pas souffler mot des souvenirs que j’ai de l’adipeuse Amalia [de zuster] de quarante ans, trônant à la caisse au milieu de sa marmaille ; ou bien, bâfrant sa bouillie de figues au miel ; ou bien, à table, laissant couler hors du corsage son imposante mamelle, pour céder au caprice de son dernier-né, un crapaud joufflu que n’avait atteint ses deux ans sans être sevré, qui mangeait déjà le couscous avec nous, et qui, le repas trminé, se hissait goûlument sur les genoux de sa mère pour téter quelques gorgées de vieux lait, en guise de dessert.”

Poging tot vertaling (in de roman lijkt Du Gard zich tot zijn uitgever te wenden):

“...men zou tevens het einde moeten wijzigen, vanaf de terugkomst uit Sicilië... en vooral geen woord reppen over mijn herinnering aan de vatsige veertigjarige zuster Amalia, prijkend op haar troon aan de kassa tenmidden van haar meute peuters; een stamppot van vijgen met honing opslurpend; of aan tafel haar druiperige, gigantische tepel uit haar korset hangend om aan de grillen van haar laatstgeborene te kunnen voldoen, een soort pad met krullen die nooit twee jaar zou zijn geworden zonder te worden gespeend, maar die samen met ons de couscous zat te eten om, eenmaal de maaltijd gegeten, zich gulzig op de knieën van zijn moeder te hijsen om aan haar borst nog enkele druppels oude melk op te nemen bij wijze van dessert.”

… smakelijk…

martin du gard 1

Klik hier om het werk te kopen: Confidence africaine

Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | |  Facebook | | | | Pin it! | |  del.icio.us

De commentaren zijn gesloten.