21-07-09

De Wereld van Gisteren (Stefan Zweig)

Ik zeg het niet graag, en zeg het dus weinig: “dit moèt je gelezen hebben”, het is de facto een vrij arrogante stelling. Maar mocht ik deze voor slechts één enkel boek mogen gebruiken, dan deze: “De Wereld van gisteren” van Stefan Zweig.

 

Zelfs al heb je geen greintje interesse voor de periode die erin beschreven, of eerder: die erin gedisecteerd wordt, dan nog is het een boek dat je veel kan bijbrengen. Het leert je namelijk hoe naar je wereld, naar je omgeving, naar de veranderingen in mensen en omstandigheden te kijken. Hoe de invloeden van je omgeving, van je ‘tijdperk’ op jezelf in te schatten. Geen ander dan Zweig heeft op zo’n manier zijn eigen periode gevat, begrepen, en beangstigd gadegeslaan.

 

Niemand kon dit beter dan Zweig –tot zijn eigen ontsteltenis, gezien wat hij zag in de loop van twee wereldoorlogen hem tot wanhoop dreef. Hij had de eerste tekenen herkend van wat tot de waanzin van volkeren zou leiden, en ontrafelde op onfeilbare manier de oorzaken en de meeste van de onherroepelijke gevolgen van de gebeurtenissen van zijn tijd. Als een moderne Erasmus probeerde hij zijn pen, zijn vriendschappen en zijn inzichten te gebruiken om de mensheid terug in een humanistische richting te dwingen, maar net als Erasmus faalden zijn pogingen jammerlijk. Tenslotte is een pen machteloos tegen de onafwendbare stroom van de menselijke waanzin.

 

 

Zweig’s betoog begint met een analyse van de wereld waarin zijn grootouders en zijn ouders hebben geleefd. Een onveranderlijke wereld –naar onze huidige norm zou die heel saai overkomen- waarin zekerheid en voorzienbaarheid het hoogste goed was voor de meerderheid van de bevolking. “Alleen met deze zekerheid gold het leven als het leven waard”.

 

Niettemin was er tevens een geloof in vooruitgang, in voortdurende, onontkoombare beterschap voor de mensheid. Dit leek me in eerste instantie contradictorisch: waarom zou deze behoudsgezinde menigte enige vooruitgang –en dus verandering- wensen? Maar ik besef dat ‘verandering’ in die tijd iets volledig anders betekent dan in onze tijd, waar in een tijdspanne van een kwart generatie een aantal ingrijpende veranderingen plaatsvinden, daar waar in Zweig’s tijd een enkele verandering –of vooruitgang- in een heel mensenleven reeds een ingrijpend feit betekende. “Mijn vader, mijn grootvader, wat hebben zij gezien? Beide hebben ze hun leven in een enkele vorm geleefd.”

 

Wat verder beschrijft Zweig zijn schooljaren. Nogal een grijze en onvruchtbare ervaring, zou je kunnen concluderen. De leraren hadden geen enkel contact met de leerlingen –behoudens het voorlezen van de leerstof. De wereld van toen hield namelijk niet van de jeugd, je werd er pas als volwaardig mens aanzien wanneer je berimpeld en bebaard was, de jeugd had zelfs technieken ontwikkeld om er twintig jaar ouder uit te zien. De beschrijving van zijn schoolperiode geeft Zweig de gelegenheid uit te wijden over de algemeen heersende moraal in het Oostenrijk van begin twintigste eeuw, waarin vrouwen ‘als broeikasplanten’ werden opgevoed en waar kwik werd voorgeschreven als middel tegen syphillis.

 

Zweig hekelt de dubbele moraal die in die tijd heerste –hoerenloperij werd algemeen voor jongens en mannen aanvaard, maar over sex mag zelfs niet de minste allusie worden gemaakt- maar duidt anderzijds tevens de imense vrijheid aan die mense in die tijd genoten –en sindsdien niet meer hebben gekend: men kon er overal ter wereld vrij reizen zonder enig paspoort, zonder visums te moeten aanvragen, zonder eindeloze paperassen te moeten invullen, zonder de beproeving van douanes te moeten doorstaan.

 

In heel ontroerende pagina’s beschrijft hij hoe bij de schoolgaande jeugd een fascinatie ontstond voor dichters en kunstenaars –wellicht omdat zij juist die ultieme vrijheid belichaamden, en hoe een opmerkelijke dichter uit hun midden rees –als eerste jongeling ooit serieus genomen door de litteraire wereld: Hofmannsthal. De revelatie was niet zozeer gelinkt aan de dichter zelf, als wel uit zijn leeftijd ! Dat zo’n jong iemand zo’n erkenning kon bereiken in de litteraire milieus, dàt was de werkelijke openbaring, bijna een revolutie als je Zweig mag geloven.

 

Nota aan mezelf: Zweig’s mooie beschrijving van Emile Verhaeren copiëren, p.125. Tenslotte is mijn zes maand oude zoon onder meer naar hem genaamd.

 

Tijdens zijn universiteitsjaren ziet Zweig de kans een paar werken te publiceren en zijn reistochten te beginnen. Zijn reisbestemmingen zijn eerst en vooral gedreven door de mensen die hij er kan ontmoeten, en daarbij valt zijn oog op Parijs. Wat me echter opvalt –niet enkel doorheen Zweig’s boek, maar ook wat ik van allerlei biografieën uit die tijd heb kunnen opmaken, is het gemak met dewelke mensen, kunstenaars of denkers, met elkaar in contact kwamen, elkaar ontmoetten. Je hoefde maar om het even welk werk te hebben gepubliceerd in welke vorm dan ook, je hoefde maar om het even welk kunstwerk op om het even welke plaats te hebben tentoongesteld, om bij de minste aanvraag toegang te krijgen voor een onderhoud met de gevestigde schrijvers of kunstenaars uit die tijd. Deze relaties konden kortstondig zijn, maar in het geval van Zweig, die oneindig open en nieuwsgierig van geest was, leverde het hem blijvende relaties –zoniet respect en aanzien- op van de mensen die hij ontmoette.

 

En in Parijs waren ze niet van de minste: Verhaeren, Rilke (‘zelfs als hij lachte leek het alsof hij alleen een lach suggereerde’), Gide, Rodin, etc etc. Zweig schetst overigens een scherp beeld van waarom Parijs zo aantrekkelijk was voor de meest vernieuwende creatieve geesten: de meeste schrijvers kregen er weinig vergende, goedbetaalde overheidsjobs teneinde hen de vrijheid te laten te creëren zonder zich zorgen te hoeven maken om hun bestaansmiddelen. Niet dat ze veel verdienden, de meesten leefden zeer simpel, maar ze hoefden zich tenminste geen financiële zorgen te maken en konden zich naar believen concentreren op hun leven voor hun kunst. ‘Misschien voor het laatst’, merkt Zweig op, daarbij alluderend op het feit dat nadien –na de oorlog- de mensheid, inclusief de kunstenaars, dergelijke maagdelijkheid –of dergelijk gebrek aan verantwoordelijkheid- voorgoed was kwijtgeraakt.

 

Na Parijs trekt Zweig naar Londen, waar hij in een geheel andere sfeer terecht komt. Een van de weinige contacten die hij had met de plaatselijke schrijvers, vindt plaats op een ‘happening’ van Yeats, een soort theatraal geënsceneerde voordracht. Hoe sterker kon het verschil zijn in vergelijking met de gesprekken die hij in Parijs met Rilke en Verhaeren had, gezeten aan een eenvoudige woontafel.

 

Ik kan in het bestek van dit korte stukje moeilijk alle gebeurtenissen, alle inzichten beschrijven in Zweig’s wordingsproces, zonder het werk volledig te copiëren. Enkele ontroerende pagina’s over hoe hij zijn eigen geluk niet kan geloven om zo jong reeds zo gekend en geroemd te zijn, hoewel hij zich zo minderwaardig voelde tegenover zijn litteraire en andere helden. Zijn eerste successen zijn trouwens op een merkwaardige, bijna surrealistsche manier gepaard gegaan met sterftegevallen –beroemde acteurs die zijn werk wilde spelen, de directeur van het theater waarin zijn werk zou worden opgevoerd, zelfs een Italiaanse vriend die zijn vertaling van Pirandello zou spelen, overleden allen voordat zij dit konden doen. Je zou er voor minder mee ophouden te schrijven.

 

Zweig trekt er niettemin een mooie conclusie uit: “Alleen in je vroegste jeugdjaren lijkt het toeval nog identiek met het noodlot. Later weet je dat je echte levensweg van binnenuit bepaald wordt; hoe slingerend en zinloos onze weg ook lijkt af te wijken van wat we willen, uiteindelijk leidt hij ons toch naar ons onzichtbare doel.

 

Deze vaststelling vormt tevens een breekpunt in het boek –ik vraag me nog steeds af of dit bedoeld was, of Zweig daarmee zijn eigen stelling aan de realiteit trachtte te toetsen. Vanaf dit punt begint zijn analyse van de ontwikkelingen die tot de Eerste en Tweede wereldoorlog hebben geleid. Zweig probeert uit te leggen hoe impactvol de oorlog wel was op de heersende moraal, in een tijd waarin zekerheid en voorspelbaarheid zo belangrijk waren: “De dimensies van deze tijd hebben onze optiek onontkoombaar veranderd”. En wat verder: “Alles wat niet te maken heeft met de problemen van de huidige tijd, blijft beneden onze strenge maatstaf voor wat wezenlijk is”.

 

Dit zijn straffe uispraken, die misschien minder hard klinken nu ze uit hun context zijn getrokken. Begin 1900 heerste nog volop optimisme, niets was onmogelijk. Misschien was Europa zelf Europeser dan heden: iedereen, in welk land dan ook, huilde om de neergestorte zeppelin, net zozeer als geheel Europa de prestatie van Blériot toejuichte. Zweig toont aan dat een mengeling van optimisme, ongebrijdelde ontwikkelingsdrang en gebrek aan kennis of begrip van de gevoeligheden tussen de verschillende landen onderling, uiteindelijk de aanleiding vormden niet van de oorlog zelf, maar van een zorgeloos omgaan met de eerste tekenen van een nakende oorlog. De analyse had tevens in onze huidige tijd niet mis gestaan.

 

Ik zal hier het verloop en de dramatische naweeën van de Eerste Wereldoorlog niet bespreken –het is niet mijn bedoeling het boek te copiëren. Wel noteer ik dat er volgens Zweig drie belangrijke pleitbezorgers bestonden voor meer verstandhouding tussen de landen: Romain Rolland –met wie hij een heel hechte band zou onderhouden, Paul Valérie en Marcel Proust. De laatste ken ik uiteraard, maar van de eerste twee weet ik zo goed als niets. Staan op mijn lijstje.

 

De rest van het boek besteed Zweig aan het uipluizen van het opkomende fascisme en nazisme, de dramatische gevolgen van de hyper-inflatie, de heersende decadentie in Duitsland, de eerste paramilitaire brigades die de grens met Oostenrijk oversteken, de opkomst van Hitler, die hij met een voor die tijd zeer scherpzinnig oog beschrijft.

 

Dat ze zijn boeken verbranden in Duitsland, dat hij zijn mooie huis in Saltzburg moet verlaten, dat hij zijn zorgvuldig bijeengezochte collectie manuscripten en originele partituren van de hand moet doen, al bij al kan Zweig dit nog relativeren. Hij verzamelde de manuscripten niet omwille van het bezit ervan, maar door een fascinatie voor het bijeenbrengen van dingen, “het maken was altijd het grootste plezier, niet het gemaakte”. Waar hij het veel moeilijker mee heeft is dat sommige –wel, vele- van zijn vrienden of kunstminnende contacten zich van hem afkeren, bang zich te compromitteren met de Jood wiens werk hoog op de zwarte lijst van de Nazi’s prijkt.

 

Zijn samenwerking met Strauss, de beschrijving van de laatste levensdagen van Freud, het moeizame werken aan een boek over Balzac, ... de laatste pagina’s van ‘De Wereld van Gisteren’ getuigen van een groeiende zwaarmoedigheid, hoewel er zelfs in de donkerste dagen steeds een greintje lichtende relativering schuilt in Zweig: “Maar elke schaduw is in diepste wezen toch ook een kind van het licht, en alleen wie licht en donker, oorlog en vrede, hoogtepunten en dieptepunten heeft meegemaakt, alleen die heeft waarachtig geleefd.”, zo eindigt het boek.

 

 

Het mooie aan dit boek is het zeer rijke pallet aan thema’s die erin besproken wordt, terwijl het een zeer homogeen geheel is gebleven. Dit lijkt normaal voor een biografie, maar dit is er juist geen... bijvoorbeeld: op geen enkel ogenblik wijdt Zweig uit over zijn gezinstoestand, behoudens zijn terloopse opmerking dat hij ergens met zijn tweede vrouw in een bepaald land vertoefde. Dit maakt het werk zo bijzonder, en zo leerrijk: het behandelt enkel zijn eigen inzicht en begrip van zijn tijd, en daarom dient het ook als handleiding voor ieder die zijn eigen tijd –om het even dewelke- en zijn eigen functioneren erin, tracht te begrijpen.

 

 zweig wereld van gisteren

 

 

PS: spijtig dat er zoveel tijpfouten in de editie van de Arbeiderspers staan. Tussen pagina 249 –wanneer ze me begonnen te irriteren- en pagina 333 –wanneer ik ben gestopt ze neer te pennen- heb ik er negen geteld. Toch storend bij het lezen, en zo’n uitgeverij sowieso onwaardig.

Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | |  Facebook | | | | Pin it! | |  del.icio.us

Post een commentaar