04-08-11
Afspraak in Saigon (Antoine Audouard) **
In mijn jeugd had ik een behoorlijk conflictuele relatie met mijn vader. De impact ervan heeft lang aangesleept en heeft zich heden vervormt tot een ambigu, ondefinieerbaar gevoel, een mengeling van spijt en verwarring.
Niet verbazend dus dat ik in mijn lectuurkeuze aangetrokken ben door het thema. Hoe ervaren anderen de relatie met de vader? Welke lessen trekken ze eruit? Welk verwerkingsproces maken ze door?
Het interessante aan dit verhaal is dat de relatie tussen vader en zoon niet de enige verhouding is die ze met elkaar hebben: de zoon is tevens de uitgever van zijn vader, die een zeer productief maar weinig succesvol auteur was, meer begaafd om boeken uit te vinden of te bespreken, dan ze te schrijven (‘Ils avaient des titres merveilleux et des promesses si belles qu’il était inutil de les tenir’). Zijn laatste boek 'Afspraak in Saigon', zou zijn meesterwerk worden, maar hij zou er nooit een pagina van geschreven hebben.
We volgen de zoon in de beproevingen van zijn bezoeken aan het sterfbed van zijn vader, waar herinneringen van goede en kwade dagen hem stuurloos opkomen.
In dit boek wordt het thema al bij al vanop afstand behandeld. Het lijkt soms alsof de schrijver terugdeinst voor de omvang van zijn taak. Daardoor lijkt het verhaal naar het einde toe te vervagen. De slotsom is dat zijn vader een enigma zal blijven, dat hij de ware aard van zijn vader nooit zal gekend hebben. Tja, als het dat maar is...
De roman is zeker geen mislukking, maar persoonlijk geef ik de voorkeur aan de duidelijkheid van een Kafka (‘brief aan de vader’) of het enigmatische van een Gwennaëlle Aubry (‘Personne’).
10:19 Gepost door Frederic De Meyer in cultuur, litteratuur | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
06-07-11
Middernachtskinderen (Salman Rushdie) *
Ik was redelijk onder de indruk van Rushdie’s ‘Shalimar de clown’. De unieke mix van hedendaagse politieke intrige en traditionele Indische legendes lieten me alleszins onberoerd –het hielp dat de beschrijvingen van Cashemire me met heimwee vulden, dit is ongetwijfeld het mooiste gebied waar ik ooit heb mogen verblijven.
Ik was dus zeer benieuwd om een tweede boek van Rushdie te lezen. Mijn keuze ging naar ‘Middernachtskinderen’. Op de samenvatting op de achterflap verneem ik dat het verhaal gedeeltelijk in Cashemire plaatsvindt en een persoonlijk zicht biedt op de geschiedenis van India. Voldoende redenen om deze te verkiezen (boven de ‘Duiveslverzen’, dat nog op mijn lijst staat).
Na honderd pagina’s leg ik het boek echter terzijde. Misschien niet definitief, maar vermoedelijk wel. Het verhaal houdt zeker zijn beloften, via handige tijdssprongen tussen drie generaties dorpelingen in Cashemire, verkrijgen we een heel intiem beeld van Cashemire.
Maar helaas is de taal bijna onaangenaam barok. Zware zinssneden worden ongekruid en halfgaar op het bord van de lezer gelegd, waardoor het geheel nogal onverteerbaar wordt. Ik weet niet zeker of dit aan de vertaling ligt (ik las het in een uitgave van uitgeverij Contact), maar wanneer ik vergelijk met de zeer makkelijk leesbare ‘Shalimar de clown’ , moet ik besluiten dat dit wel aan de vertaling moet liggen.
Spijtig.

16:01 Gepost door Frederic De Meyer in cultuur, litteratuur, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
07-06-11
Het diner (H. Koch) ***
Ter voorbereiding op een boek dat ik aan het schrijven ben heb ik de laatste zes maanden niets anders gelezen dan businessboeken (17 om precies te zijn). Hoog tijd voor een litterair verzetje dus. Ik heb mijn oog laten vallen op Herman Koch’s ‘Het Diner’, dat ik me nochtans had voorbehouden voor de vakantie.
Maar goed, de nood was hoog. Ik had niet beter kunnen vallen dan met deze roman. De stijl is loepzuiver –hoewel niet even wervelend als pakweg een Arnon Grunberg. De verhaallijn is verrassend –hoewel niet origineel meer, de flashbacks met open einde, de opbouw dat samengaat met de stappen van een triviaal uitgangspunt als een diner, het is een beproefde oefening. En het plot is niet ontdaan van enige etische vraagstelling: hoe ver kan de liefde van een ouder gaan.
Gezien het thema had Koch weliswaar veel meer humor kunnen gebruiken, het tafereel had er zich uiterst handig toe geleend.
Maar bon, laat me niet flauw doen, dit is een uiterst geslaagde en smakelijke roman, dat nog even –niet al te lang- blijft nazinderen.

20:06 Gepost door Frederic De Meyer | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
30-12-10
Album Pléiade: Andre Gide ***
Wat u wellicht weet: de Franse ‘Pléiades’ is een reeks van uitgeverij Gallimard , waarin de grote klassiekers van de wereldliterattuur –alsmede menig standaardwerk van religieuze, wetenschappelijke en artiestieke strekking- in een uiterst luxueus kleedje worden gestopt. De lederen verpakking, afgewerkt met fijne gouden randen en geprint op filterdun ‘bijbelpapier’ zorgt voor een niet te evenaren leesgenot.
Wat u misschien nog niet weet: elk jaar organiseert de uitgeverij Gallimard de ‘quinzaine de la Pléiade’, waar je gedurende 2 weken bij aankoop van drie volumes van eender welke Pléiades, toch goed voor een investering van gemiddeld 210 euro, een gratis exemplaar krijgt van een ‘Album’. Elk jaar wordt in deze ‘albums’ een specifieke auteur of thema behandelt.
Deze worden dus in beperkte oplage gedrukt, en zijn niet vrij verkrijgbaar op de officiële markt. Onnodige te zeggen dat ze op de tweedehandsmarkt redelijk hoge prijzen halen. De eerste edities uit de jaren zestig, die over Balzac, Proust, Verlaine, Zola, Dostoïevski, gaan vlot boven de 100 euro.
Hebbedingetjes dus... Maar tevens enorm leerrijk.
De ware toegevoegde waarde van die ‘albums’ zit hem namelijk niet zozeer in de teksten –vrij summiere biografieën, weliswaar uiterst goed geschreven door kenners van het onderwerp- maar in de uitzonderlijk rijke iconografie die de tekst begeleid.
Neem bijvoorbeeld de ‘Album Gide’ uit 1985. In de eerste pagina’s worden talrijke foto’s van zijn aanverwanten uitgebeeld, neven, nichten, ouders en grootouders. Het ‘schetst’ de man Gide, maar het schept tevens een onbehaagelijk gevoel: deze mensen behoren tot de iconografie van een groot schrijver, maar wilden ze er wel toe behoren? Hebben ze de keuze gehad? Niet echt. In die zin is zo’n iconografie voyeuristisch.
Maar bon, dit zijn slechts enkele pagina’s, al snel volgt een meer interessante reeks afbeeldingen van Gide’s jeugd, de plaatsen waar hij heeft geleefd, de nicht met dewelke hij huwde, zijn reizen in Algerije en Congo, de dochter die hij had met de vrouw van Theo Van Rysselberghe (wat jammer dat de tekst daar niet verder op ingaat, ik ken nog steeds niet het fijna van het verhaal behoudens dat Gide vriend aan huis was bij de Van Rysselberghes). Veel foto’s kende ik al: Gide als jonge, baardige dandy in zwarte cape, Gide als model voor Theo Van Rysselberghe, Gide met zijn dochter, etc.
Mij minder bekend: foto’s met Paul Valéry, met Sartre, maar vooral met Stalin, op de begrafenis van Gorki, tijdens Gide’s triomftocht door de Rusland.
Deze ‘albums’ zijn in feite kleine musea met een uitzonderlijk rijke verzameling aan foto’s en curiosa allerhande. Een natte droom voor elke bibliofiel.
09:40 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen, cultuur, litteratuur, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
26-12-10
Een andere geschiedenis van de Franse litteratuur (Jean d'Ormesson) ***
Mocht u om een definitie van de term ‘diletant’ verlegen zijn, lees dan ‘Une autre hisoire de la littérature française’ van de betrekkelijk succesvolle, ondertussen bijna tachtigjarige Franse schrijver Jean d’Ormesson.
Succesvol? Als auteur van een twintigtal romans en een biografie van Chateaubriand, voor wie hij een ontembare bewondering koestert, als journalist bij het blad l’Express, als levensgenieter en rokkenjager, ja, ongetwijfeld succesvol. Doorheen de jaren bewonderd door de generatie die met hem oud werd, en nu, althans volgens het maandblad ‘Lire Magazine’, alweer sterk in trek bij de huidige generatie. Lid van de Académie Française -wat niet automatisch tot veel lof inspireert, het heilige instituut heeft meer dan eens blijk gegeven van complete zinsbehoocheling bij het uitkiezen van haar leden.
Toegegeven, het helpt om uit goedbedeelde afkomst voort te komen, en zich niet druk te hoeven makenom triviale zaken als geld. Maar d’Ormesson heeft –zo zeggen velen- ook een zeker talent, een eigen stijl zelfs.
Deze ‘Een andere geschiedenis van de Franse litteratuur’ is het eerste werk van hem dat ik lees –zijn biografie van Chateaubriand staat al geruime tijd op mijn lijst. Het is het litterair testament van een zuivere diletant, een smaakvol parcours langs de schijvers die d’Ormesson hebben getroffen, geschreven met een lichtzinnige stijl, zuiver en alleen voor het genot van de schrijver.
Het enthousiasme waarmee hij tewerk gaat werkt aanstekelijk. In pennestreken van drie, vier pagina’s schetst hij een litterair portret van France iconen van Rabelais tot Malraux. Ze komen weliswaar niet allemaal aan bod, tenminste niet in dit eerste deel. Geen Zola, geen Montherland, geen Sartre en, wat misschien nog het meeste opvalt, op George Sand na geen vrouwen (De Beauvoir, Yourcenar, Duras).
Niettemin biedt het werk een ontegensprekelijke toegevoegde waarde. Het voordeel van de persoonlijke behandeling van de auteurs –de persoonlijke meningen van d’Ormesson-, is dat het alle flauwe aftrekseltjes van een Wikipedia zeer sterk overstijgt. Tevens is het een interessante introductie tot schrijvers die ik in mijn leven wellicht nooit zal lezen (La Rochefoucault, Boileau, Vigny, Claudel, etc.).
Het werk bevat interessante inzichten en gevatte samenvattingen van heel wat Franse auteurs. Enkele nota’s voor mezelf, in het wilde weg:
- Rabelais vergelijken met James Joyce –beide gebruiken de taal als een zoektocht;
- Cardinal de Retz, een soort Don Juan die in zijn Mémoires nogal scherp tegen Richelieu inging (‘Il avait assez de religion pour ce monde’);
- ijzingwekkend date en La Rochefoucault in zijn Maximes uit de XVIIe eeuw reeds noteerde: ‘L’intérêt personnel règne partout dans les âmes et il se donne des allures vertueuses’, het had zo van toepassing kunnen zijn op het bankiersmilieu van de 21e eeuw ;
- treffende analyse van de verschillen tussen Racine and Corneille: daar waar die laatste vooral over mannen had, overwinningen en waarvan het toneel steevast een goed einde werd toebedeeld, is het bij Racine net ondersom: deze schrijft over passie, over vrouwen, en meestal lopen zijn werken slecht af;
- Verrassende stamboom: volgens d’Ormesson zouden Robespierre en Chateaubriand beide romantici zijn die zich door Rousseau lieten inspireren (Robespierre een romanticus?). En schrijvers ald Hugo en Aragon zouden zich dan weer op het romantisme van Chateaubriand hebben geïnspireerd (Hugo: ‘être Chateaubriand ou rien’);
- nog verrassender: Le Rouge et le Noir, van Stendhal, op hetzelfde niveau tillen als Das Kapital, beide boeken gaan om de klassestrijd;
- de overgevoelige Lamartine schrijft ‘Le Lac’ terwijl hij vruchteloos in Zwitserland wacht op zijn geliefde die niet komt omdat ze stervende is:
“Ainsi, toujours poussés vers de nouveaux rivages,
Dans la nuit éternelle emportés sans retour,
Ne pourrons nous jamais sur l’océan des âges
Jeter l’ancre un seul jour ?
O lac ! l’année à peine fini sa carrière,
Et près des flots chéris qu’elle devait revoir
Regarde ! je viens seul m’assoir sur cette pierre
Où tu la vis s’asseoir »
(of, bloedmooi :
« pourtant le soir qui tombe a des langueurs sereines
Que la fin donne à tout, aux bonheurs comme aux peines »
- in tegenstelling tot Proust heeft d’Ormesson wel bewondering voor de Correspondence van Flaubert, al moet hij toegeven dat Flaubert niet echt over litterair talent beschikt.
- De vader van d’Ormesson heeft Paul Morand nog persoonlijk gekend –beide waren diplomaten, niet ongewoon dat diplomaten vaak auteurs zijn trouwens: Stendhal, Chateaubriand, Claudel, Giraudoux, Saint John Perse, Romain Gary), maar hij had er geen te hoog opinie over, al vind ik persoonlijk zijn omschrijving van het ideaal van het schrijverschap ‘la contraction de l’huître sous le citron’ bijzonder mooi.
- (ik sla er heel wat over) Quesneau was volgens d’Ormesson niet enkel een van de sterkste en charmantste geesten uit zijn tijd -wat ik niet betwijfel- maar tevens een uitzonderlijk begaafd dichter –wat ik na het lezen van onderstaande ook al niet meer betwijfel:
“Si je parle d’un temps, c’est qu’il n’est pas encore,
Si je parle d’un lieu, c’est qu’il a disparu
Si je parle d’un homme, il sera bientôt mort
Si je parle du temps, c’est qu’il n’est déjà plus… »
‘Une autre histoire de la littérature française’ is geen hoogstaande litteratuur, maar een uiterst aangenaam werk van de hand van een ware diletant.
Noot aan mezelf, toe te voegen aan mijn leeslijst: Lamartine, de correspondentie van Voltaire, ‘Bouvard et Pécuchet’ van Flaubert, ‘La semaine Sainte’ van Aragon.
13:56 Gepost door Frederic De Meyer | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
29-11-10
Sonate in Kreutzer (L. Tolstoi), Aan wie de schuld? (S. Tolstoi) ****
Ik ken eerlijk gezegd geen ander voorbeeld in de litteratuur, van hoe een vrouw van een schrijver zich genoodzaakt ziet om met een roman te antwoorden op een novelle van haar man.
Het is dan ook uitermate interessant beide in een zucht te lezen, en het is om dezelfde reden een lovenswaardig initiatief van de Franse uitgeverij Albin Michel om beide werken in eenzelfde boek te bundelen.
Maar de vraag waar ik bij aanvang van de ‘Sonate in Kreutzer’ mee zat was: staat er iets dermate schokkends in dat de vrouw van de schrijver er een antwoord op dient op te geven? Met andere woorden: vormt de ‘Sonate in Kreutzer’ van Leon Tolstoi een directe aanval op zijn vrouw?
Moeilijk in te schatten bij aanvang van de novelle. Leon schetst er een gesprek in een treinwagon, waar nogal scherp over zaken als liefde en huwelijk wordt gedebatteerd (‘[...] l’amour le plus sublime, le plus prétendument poétique, ne dépend pas de qualités morales, mais de la proximité physique, et aussi de la coiffure, de la couleur et de la coupe d’une robe’).
Een van de mannen in de wagon ontvouwt er zijn theorie dat huwelijken niets anders zijn dan een legale vorm van prostitutie. De man zou er enkel op uit over een masse vlees te beschikken om er zijn lusten op bot te vieren, en de enige functie van de vrouw bestaat eruit onderdanig te zijn aan deze lusten.
Op zich niet genoeg om een antwoord te behoeven –tenslotte laat Tolstoi hier een van zijn personnages spreken, het is niet noodzakelijk zijn stem die men hoort. Maar het verhaal gaat verder. Twee mannen blijven over in de coupé. Een ervan vertelt zijn levensverhaal, hoe hij in zijn jeugd schaamteloos vrouwenharten verroverde, tot hij zich laat vangen in de vasltrik van het huwelijk –om redenen die achteraf dan nog compleet foutief bleken te zijn. Al snel na zijn verloving wist de man al niet meer waarover te spreken met zijn aanstaande.
Ze huwen, krijgen vijf kinderen waarover de vrouw zich bijna obsessioneel ontfermt, als om te ontsnappen aan haar man. Op een dag komt een kennis van de man op bezoek, een beloftevolle violonist, die hij (doelbewust?) met aandrang aan zijn vrouw presenteert. Volgt een spiraal van jaloezie, scènes van woede en verzoeningen, groeiende gevoelens van twijfel en haat, die uiteindelijk culmineert in de moord van de vrouw.
Op haar sterfbed probeert de man zijn spijt te betuigen maar bijt ze hem toe: ‘je hebt nu wat je wilt’.
Mja, dit werpt al een ander beeld van wat Tolstoi met de novelle bedoelde, tenslotte zijn vele van zijn werken ook zedenstudies. In zekere zin toont hij de zwakheden van ‘de man’, zijn hypocriete houding jegens de vrouw en het instituut ‘huwelijk’. Maar anderzijds is hij niet eenduidig in het feit dat de man hier schuldig aan is, integendeel, hij laat de rol van de vrouw enigzins in het –schuldige- ongewisse.
En dit feit zette Sophie Tolstoi -de vrouw van- er wellicht toe aan een repliek te voorzien. Ze zou aantonen dat er wel zoiets bestaat als een ‘zuivere’, trouwe vrouw die alles opgeeft voor haar huwelijk.
In haar roman, die de treffende titel ‘Aan wie de schuld?’ meekreeg, beschrijft Sophie een jong, ietwat naïef maar intelligent meisje, die de keuze heeft tussen een jonge, idealistische student met wie ze haar intellectuele interesses deelt, en een tien jaar oudere prins, amateur-filosoof en rokkenjager.
Ze kiest uiteindelijk voor de prins, maar onmiddelijk na de verloving volgt de ontnuchtering. De prins interesseert zich helemaal niet meer in haar gesprekken, en ze is volledig ontredderd wanneer ze beseft dat zij niet de eerste liefde is in zijn leven. Het sterkste beeld uit de roman is wanneer het koppel na het huwelijksfeest uit de heldere, klare danszaal de koets instapt en een donker, koud bos in rijdt.
De vrouw heeft het moeilijk zich lichamelijk te geven aan haar man. Niettemin krijgen ze vier kinderen voor wie de vader geen enkele blijk van interesse vertoont. Door de desinteresse van haar man –alsmede door haar desillusie, begint de vrouw te verlelijken. Ze laat haar gaan .
De prins verveelt zich op het platteland en beslist de prins om met zijn gezin een paarmaanden in Moscow door te brengen. Daar ontpopt de vrouw zich tot perfecte, aantrekkelijke society-vrouw, wat de liefde –en de jaloezie- van haar man aanwakkert. Wat volgt lijkt sterk op wat er in ‘Sonate in Kreutzer’ afspeelt: oplopende jaloezie van de man afgewisseld met momenten van twijfel en –heel af en toe- huiselijk geluk. Ook in dit stuk komt een derde personnage de jaloezie van de man regelmatig aanwakkeren, maar doorheen de ogen van de vrouw –die hier veel meer aan bod komt- vormt dit slechts een onschuldige, platonische vorm van vriendschap tussen een man en een vrouw (de prinses mijmert ‘een vrouw geeft zich slechts aan één man. Als ze hem bedriegt is dat zijn eigen schuld’).
Ook hier krijgt de vrouw op het eind de doodssteek van haar man, maar hier vergeeft ze hem: ‘Het is niet jouw schuld, je kon niet verstaan waar liefde uit bestaat’. In die zin is het dus helemaal niet verazend dat Sophie zich geroepen voelde om de novelle van haar man te beantoorden, bijna in spiegelbeeld maar dan met inbegrip van een vrouwelijke visie over liefde en huwelijk: liefde kan ‘zuiver’ zijn, en men kan er soms voor kiezen om iemand lief te hebben (liefde kan ‘groeien’).
Het is me niet bekend of Leon een weerwoord heeft geschreven op de roman van zijn vrouw. Ik moet de chronologie van zijn werken nog eens nagaan, volgens mij is hij in zijn novelle ‘Het huiselijk geluk’ wat schatplichtig aan de roman van zijn vrouw... In ieder geval een aanrader.
19:26 Gepost door Frederic De Meyer in cultuur, litteratuur, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
13-11-10
Over het lezen (Marcel Proust) ***
Deze tekst van Proust vormde oorspronkelijk een voorwoord voor een litteratuurkritisch boek van John Ruskin ‘Sesame and Lilies’. Het mag vreemd lijken dat de uitgever anno 1905 dit als voorwoord gebruikte, gezien Proust er aangeeft niet met Ruskin’s stellingen eens te zijn. Volgens Ruskin staat het lezen vrijwel gelijk aan een spirituele ervaring. Volgens Proust daarentegen kan het lezen aanzet geven tot een spirituele ervaring, maar is het dat zèlf niet.
Misschien vormde deze onenigheid de aanleiding voor de uitgeverij Actes Sude om het voorwoord apart uit te geven. In ieder geval een geslaagde zet: de tekst komt volledig tot zijn recht, losgetrokken uit zijn rol als voorwoord.
In het eerste deel haalt Proust –hoe kan het ook anders?- herinneringen op aan zijn jeugd, met welke bedwelmende fascinatie hij elk verloren –of toegelaten- ogenblik gebruikte om zich hart en ziel over te geven aan het lezen. Pas laat komen we te weten dat al deze herinneringen gelinkt zijn aan de lectuur van een roman van Théophile Gautier.
Gaandeweg ontwikkelt zich een filosofie van de lectuur, en van de esthetiek in het algemeen –ook weer typisch Proustiaans om zijn eigen leefwereld te toetsen aan een algemener kader, al zijn ze vaak in tegenstelling . Zo bijvoorbeeld wanneer hij de mode omschrijft om slaapkamers van kinderen vol te hangen met afdrukken van meesterwerken (wat we nu posters zouden noemen). Versieringen moesten in die zin ‘nuttig zijn ‘ dat ze een bepaalde smaak affirmeren.
Niet zo bij Proust: ‘[...] ma chambre n’était nullement belle, car elle était pleine de choses qui ne pouvaient servir à rien et qui dissimulaient pudiquement, jusqu’à en rendre l’usage extrêmement difficiles, celles qui servaient à quelque chose’. Voor Proust is het juist stimulerend om de kamer vol te hangen met dingen die niet zijn smaak zijn, hij haalt er inspiratie, ja, zelfs een bepaalde drift uit.
Via deze persoonlijke herinneringen komt Proust tot zijn fundamentele kritiek op de stellingen van Ruskin, die onder meer stelt dat lectuur een mogelijkheid vormt om te communiceren met mensen die we in het ‘echte’ leven nooit zouden ontmoeten. Dit is makkelijk weerlegd: lectuur is geen ‘communicatie’ maar slechts een ontvangen van informatie. Hier wordt duidelijk waarom Proust zijn kritiek op Ruskin begon met eigen jeugdherinneringen: volgens hem dient het lezen om de wil, de nieuwsgierigheid aan te wekkeren (‘nous sentons très bien que notre sagesse commence là où celle de l’auteur finit’), en het is ook niet méér dan dat (‘La lecture est au seuil de la vie spirituelle, elle ne la constitue pas’).
De echte lezer leest om te veranderen, om gestimuleerd te worden, in tegenstelling tot de erudiet die leest om kennis te vergaren. Het wordt duidelijk dat Proust een zekere minachting koestert voor de laatste categorie (‘Son esprit sans activité originale ne sait pas isoler dans les livres la substance qui pourrait le rendre plus fort’).
… om te eindigen met de mooie gedachte dat het lezen alse en vriendschap is, maar dan zonder de nadelen ervan.
Een boekje om langzaam in je op te nemen en rustig te genieten van de nasmaak ervan.
12-09-10
Dichter en landbouwer (JL Fournier) *
De weinige mensen die deze blog regelmatig doornemen zullen het al weten: ik laat me af en toe in mijn keuze van lectuur verrassen door wat andere mensen me vertellen, door de kritieken uit de ‘Magazine Littéraire’, of zelfs, zoals in dit geval, door wat mijn lievelingsboekhandelaar (Tropisme in Brussel) een speciaal plaatsje geeft op het schap.
Ik moet dringend een nieuwe methode vinden om me te laten verrassen, want al te vaak leidt mijn huidige techniek tot onaangename leeservaringen.
Zoals ook deze ‘Dichter en Landbouwer’ van Jean-Michel Tournier. Toegegeven, de titel en de achterflap speelden mee in mijn keuze. Ik dacht een soort spiegelbeeld te vinden van Peter Caminzind (voor mij een van de beste romans van Hesse), maar waar de landbouwer die zich tot de hoogste sferen van het culturele establishment trekt, vervangen wordt door de kunstenaar die zich door een of ander toeval tot landbouwer ziet herschapen.
Het had komische, zoniet leerrijke brandstof kunnen leveren voor een roman, had de auteur wat meer diepgang gegeven aan zijn personnages, of had hij geen oppervlakkige, emotieloze toon gekozen voor zijn verhaal. Het boekje bulkt overigens van onwaarschijnlijke plattitudes (vrij vertaald: ‘Gelukkig zijn er de zonnebloemen, je ziet ze van ver, de grote zonnebloemen, je denkt onmiddelijk aan Van Gogh’).
Een gemiste kans...
14:56 Gepost door Frederic De Meyer | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
08-09-10
De Pelgrim (Fernando Pessoa) ***
Pessoa’s parabel over hoe een man zijn rustige leven achterlaat om ‘op pad’ te gaan naar een onzeker doel, oogt na de eerste lectuur misschien een beetje licht, maar is niettemin bezaaid met diepere wendingen en inzichten. De lichtheid van de eerste lectuur is te wijten aan de eenvoudige structuur van het verhaal - of is eraan te danken: wellicht heeft Pessoa hier een toepassing willen vinden van de taoïstische neiging naar eenvoud, het verhaal is gezuiverd van alle overbodigheden en franjes die normaal met zo’n parabel gepaard gaan.
We volgen een jonge knaap die een rustig, bijna luxueus leven leidt, en die als hobby heeft om naar de bewegingen op de weg aan zijn huis te kijken: ‘m’amusant, à la manière des simples, de l’aspect des choses plus que de leur signification’ (mij net als de simpelen van geest vermakend met het voorkomen der dingen, eerder dan met hun betekenis).
Op een dag spreekt een in het zwart geklede man hem aan. Hij is vergeten wat de man precies vertelde, hoe de man eruit zag of welke stem hij had, maar sinds de ontmoeting verliest de jonge knaap zijn kalmte, zijn rust. Hij loopt dagenlang te tobben –met enkele zo typisch Possoaanse gedachtengangen- alvorens te beslissen de weg aan te vatten: ‘C’est au cours d’une de ces soirées que le feu de ma constante inquiétude parvint enfin à embraser ma décision’ (Het is op een van deze avonden dat het voor van mijn constante zorgelijkheid eindelijk mijn beslissing ontvlamde).
Op de weg komt hij af en toe stil te staan, hij wordt er beurtlings verliefd op vrouwen met aparte eigenschappen (Liefde, Deugd, Schoonheid, Dood, etc), om ze na een poos te verlaten om zijn rusteloze weg te hervatten ‘plus je m’agitais, plus ma seule certitude était de n’avoir pas bougé’ (hoe meer ik mezelf bewoog, hoe zekerder ik werd van mijn stilstand).
Het verlaten van zijn geliefden zijn noodzakelijke opofferingen. Een van de laatste vrouwen die hij liefhad inspireerde hem zelfs geen verlangens –lees: ook dit aspect van het menselijke zijn heeft hij van zich afgeschud. Want in wezen betreft het hier een boedhistische tekst: op zijn ‘weg’ ontdoet de protagonist zich systematisch van alle verlangens, van alle twijfels en alle zekerheden (op zo’n typisch Pessoaanse manier). Zelfs de dood weet hij te verlaten, om op het einde toch een doel te hebben bereikt waar hij niet naar verlangde.
Het is moeilijk geen vergelijking te maken met Herman Hesse (‘Narciss en Goldmund’, of ‘Siddhartha’), misschien beschouwde Pessoa zijn tekst als een soort emulatie van de zoektocht van Hesse, in een tot het uiterste uitgezuiverde vorm. Op het eerste zicht kan het daardoor wat licht lijken, er gebeurt maar weinig en ook qua taalvirtuoziteit raakt het niet aan Pessoa’s ‘Boek der rusteloosheid’, maar dat is wellicht het effect dat Pessoa wou bereiken: een tekst ontdaan van alle nodeloze balast, herleid tot zijn ware grootte.
17:01 Gepost door Frederic De Meyer | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
14-08-10
De kunst van de roman (Milan Kundera) **
De zevental hoofdstukken uit ‘De kunst van de roman’ van Kundera vormen een bont geheel. Maar doorheen de verschillende thema’s die Kundera er behandelt verschijnt een precies gedefinieerde visie over de romankunst, kunst die hij overigens zelf met brio uitoefent. Het geheel biedt dan ook een knap zicht op de achtergronden van Kundera’s eigen werk, zelf al kost het wat moeite om een rode draad te vinden doorheen de hoofdstukken...
Kundera begint met de analyse van Husserl en diens visie over het begin van het verval van de maatschappij. De oorsprong van dit verval zou bij Descartes liggen, in wiens visie de mens niet meer centraal staat, maar wel de mechanische aspecten van de wereld, daarmee het begin van de Moderne Tijd inluidend waarin de mens in groeiende mate ‘zichzelf vergeet’ (‘l’oublie de l’être’).
Een beetje verrassend: voor Kundera staat niet alleen Descartes aan het begin van die Moderne Tijd, maar ook Cervantes, wiens Don Quichote als voorbeeld dient voor de zoektocht naar dat ‘vergeten wezen’: de mens. In die zin lag Cervantes aan de basis voor een evolutie in de romanvorm, die nauw zou aansluiten met het tijdperk waarin ze ontstaat:
- Cervantes/Diderot: bij deze schrijvers situeert Kundera de laatste grote avonturenromans, ongebonden door tijd of plaatsbeperkingen;
- Balzac: de personnages zitten op de trein van de geschiedenis die ze onmogelijk kunnen verlaten, al kunnen ze op die trein nog betrekkelijk vrij bewegen;
- Flaubert: de horizon vernauwt tot de omheining van een huis, de enige manier om die te verlaten is om te dromen;
- Kafka: hoofdpersoon wordt niet eens meer toegestaan om te dromen, hij zit onherroepelijk in een val zonder enige mogelijkheid eruit te geraken.
Voilà. Op drie eeuwen romankunst zijn we geëvolueerd van ongebreidelde vrijheid naar een claustrofobische gevangenis. Bij Kafka aangekomen zit de relaiteit niet eens meer in de mens, maar in zijn ‘dossier’, dat dan nog eens fout blijkt te zijn. De situatie lijkt op drie eeuwen tijd volledig omgeslagen: in het Kafkaiaanse tijdperk komt eerst de straf, daarna pas het zoeken naar de misdaad...
Ander voorbeeld van die verandering: bij Tolstoj en Homerus had oorlog nog zin, was het ten strijde trekken nog een heldendaad, maar bij Haseks’ soldaat Chvéïk gekomen merken we dat mensen naar de oorlog gaan zonder te weten waarom, zelf zonder enigzins interesse te vertonen in de oorlog waarin ze verwikkeld zijn geraakt.
Met deze voorbeelden wil Kundera aantonen dat de roman als kunstvorm zeker nog zin heeft (stelt die vraag zich dan, vraag ik me af?): in een wereld die meer en meer de mans standardiseert, of uniformiseert, moet de roman de complexiteit van de wereld terug in eer herstellen, alternatieven bieden voor de comformiteit. Wellicht daarom dat in Kundera’s romans de psychologie van de ‘ik’ zo centraal staat –zoals hij zelf aantoont in het tweede hoofdstuk.
Het derde hoofdstuk is volledig gewijd aan de roman ‘De slaapwandelaars’ van Broch. Mij voor de rest volledig onbekend, maar Kundera toont in zijn analyse aan hoe in de trilogie van Broch een nieuwe visie over de mens wordt ontwikkeld, wat dan weer nieuwe mogelijkheden gaf aan de roman als kunstvorm.Bij Broch wordt de mens gedreven door symbolen eerder dan door ratio of door de kennis van zijn omgeving. Kundera brengt dit in relatie met de passage uit Anna Karenina van Tolstoj, waarin Anna paddestoelen gaat plukken met haar vermeende minnaar. De pluk draait op niets anders dan gefrustreerde pogingen te communiceren, zonder erin te slagen. Uit de innerlijke monoloog van Anna blijkt dat ze nergens een beslissing neemt, maar dat de beslissing (om te zwijgen?) haar wordt ‘opgelegd’. De monoloog toont –voor het eerst in de romangeschiedenis, aldus Kundera- hoe een onlogische, irrationele redenering tot ‘toevallige impulsen’ leiden die uiteindelijk de grondslag vormen van ons handelen.
Het is echter in de twee interviews in het boek dat Kundera zijn idee over de ‘romankunst’ het beste toelicht. Zijn romans worden gebouwd op twee niveau’s: het verhaal en de thema’s. Als de roman de thema’s verlaat om enkel het verhaal te vertellen wordt hij plat en wezenloos. Anderzijds kan een thema perfect apart behandeld worden binnenin een verhaal (zoals bijvoorbeeld zijn analyse van de kitch in ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’).
De thema’s zijn vaak existentiële vragen die met een bepaalde regelmaat aan bod komen, als noten in een partituur van de componist Janacek: ontdaan van alle fiorituren. Vandaar ook het specifieke rythme in de meeste romans van Kundera.
Vandaar ook de specifieke strcutuur van zijn romans, die hij ‘elleptisch’ noemt, en die de complexiteit van de Moderne Wereld moet aantonen. De structuur laat een ‘polymorfe’ narratieve toon toe: verschillende verhaallijnen en stijlen doorkruisen er elkaar, terwijl het verhaal recht naar de kern gaat.
Toegegeven, het is geen lectuur die iedereen zal bevallen, maar niettemin razend interessant voor de liefhebbers van Kundera’s werk.
Op e-Bay is er blijkbaar een Nederlandstalige versie te koop voor 7.5 euro (uitgeverij Ambo): klik hier voor zover de aanbieding nog niet verlopen is...
In het Frans en het Engels is de roman nog te koop bij Amazon:
14:31 Gepost door Frederic De Meyer | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
25-07-10
Een ideale bibliotheek (Herman Hesse) ***
In mijn twintiger jaren was Herman Hesse mijn litteraire held. Narzis en Goldmund, Siddharta, Gertrude en vooral Peter Kaminzind, ze hebben ongetwijfeld bijgedragen tot mijn eigen wording. Jaren daarna heb ik De Steppenwolf en een paar van zijn meer esoterische werken zoals ‘Een reis naar het Oosten’ gelezen. Die konden me wat minder bekoren. Wellicht zijn deze werken al iets te belerend voor een man van dertig die zelf niet geheel avontuurloos door het leven is gegaan.
Niettemin, omwille van het belang die hij in mijn vroege volwassenbestaan heeft gehad, blijf ik een speciale genegenheid koesteren voor Hesse. Daarom ook dat ik mijn oog liet vallen op diens ‘Een ideale bibliotheek’ die onlangs terug in het Frans is uitgegegeven bij Rivage.
De man was uiterst belezen, al relativeert hij van meet af aan het belang van deze belezenheid (vandaar ook de titel : EEN ideale bibliotheek): ‘Loin de tendre à une fin quelconque, la véritable culture, comme toute aspiration à la perfection, porte en elle son propre sens’. Hij hekelt de mensen die lezen om ‘cultuur te vergaren’, alsmede de mensen die lezen uit puur vermaak. Volgens hem heeft het lezen geen andere bedoeling dan het bijdragen tot de wording van de mens. In die zin is het ook niet belangrijk hoeveel men leest, en is elke lezerservaring een eigen, onnavolgbaar parcours.
In het eerste deel omschrijft Hesse de basis van elke bibliotheek. Ik vond het verrassend dat hij de basis van elke littertuur legt in de vroege religieuze teksten, de Bijbel, De Tao, de gesprekken van Confusius, een keuze uit de Upanishads en de Babylonische Gilgamesh. Volgens Hesse vormen deze teksten de fundamenten van alle litteratuur, aangezien ze reeds alle frustraties, alle kennis van s’mens gebreken en alle fundamentele zoeken naar verlichting omhelzen. Geen vermelding van het Tibetaanse Boek der Doden, noch de Egyptische. Maar bon, na zijn opsomming geeft Hesse zelf aan dat de lijst noch exhaustief, noch ‘juist’ is.
Volgt dus een beargumenteerde opsomming van de grootste werken uit de wereldlitteratuur, van de Westerse klassiekers tot de Duitse voorgangers van Hesse. De lijst is redelijk voorspelbaar, het zijn de kleine bemerkingen van Hesse die er de charme van uitmaken (Zola minderwaardig aan Balzac? Je hoeft het er niet automatisch met Hesse eens te zijn).
Hesse is overigens de zoveelste auteur waar ik respect voor heb, die vindt dat Don Quichote van Cervantès het absolute meesterwerk van de wereldlitteratuur is. Het werk stijgt dan ook een paar plaatsen op mijn leeslijst. Nieuw op mijn leeslijst –na het lezen van Hesse’s bevindingen- zijn de werken van Luther. Niet meteen het meest sympathieke personnage in mijn ogen, maar volgens Hesse een absoluut meester in eruditie en stijl.
Op het eind van de opsomming geeft Hesse grif toe dat een dergelijke bibliotheek tè ideaal zou zijn, te onpersoonlijk. Om het te vervollodigen met elke lezer naast deze klassiekers een eigen, volstrekt eigenzinnige passie ontwikkelen. Voor Hesse zelf was het de Duiste litteratuur van de XVIIIe eeuw (niet meteen mijn ding) en later de Indische Bagavad-gîtà, dankzij dewelke hij vertrouwd raakte met de Aziatische variatie op ‘het Alles’ en via dewelke hij uiteindelijk bij de Chinese klassieke litteratuur terechtkwam.
Wat Hesse zo sterk waardeert in de Indische en Chinese litteratuur is het feit dat natuur en geest, spiritualiteit en het alledaagse leven er samenkomen zonder ooit tegenstrijdig te zijn. Er is nochtans een groot verschil tussen de Indische en Chinese litteratuur: ‘Si la sagesse ascétique de l’Inde a quelque chose de juvénile et de puritain dans la radicalité de ses exigences, la sagesse chinoise est celle d’un homme éprouvé, intelligent et non dénué d’humour, un homme que l’expérience n’a pas déçu et que l’intelligence n’a pas rendu frivole.’
De rest van het boek bestaat uit kortere artikels die dieper ingaan op de staat van lezer- en schrijverschap. Er staan mooie stukken in over waarom een auteur geen beroep uitoefent –tenzij hij in opdracht van zijn uitgever schrijft- en waarom met moet lezen uit een diepere noodzaak om te veranderen, in plaats van zich te vermaken of cultuur op te doen. Er staat onder meer ook een heel mooie brief van Hesse aan een jongere dichter die zijn mening wou over zijn werk, waarin Hesse in zeer voorzichtige maar klare taal aangeeft waarom hij het werk van de jonge dichter gewoonweg niet kan beoordelen.
Nodeloos alle mooie gedachten op te sommen die Hesse aan deze analyze besteedt. Maar de mooiste in mijn ogen, en deze die het meeste op mijzelf van toepassing is, zo lijkt me, is wanneer hij stelt dat een ‘bevrijde’ lezer niet noodzakelijk leest maar ‘baadt in een zee van suggesties die het boek hem influistert’.
Klik hier om het boek te kopen (Frans)
13:43 Gepost door Frederic De Meyer in Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
16-07-10
Groene intelligentie (Daniel Goleman) ***
Ik zou het bijna vergeten als ik de lijst doorneem van de boeken die ik heb gelezen sinds ik deze blog heb gecreëerd, vroeger las ik meer non-fictie boeken dan fictie. Het komt en gaat... geschiedenis, quantumfysica, kunstgeschiedenis, Politiek, ga zo maar door, welk onderwerp is er tenslotte niet interessant? Geen toch? Botanica misschien, voor wat mij betreft...
Soit, nu ik me voor mijn werk begin te specialiseren in het inschatten van de toekomstige trends om de strategie van mijn bedrijf scherper te stellen (daarover meer op mijn andere Skynetblog: http://megatrends.skynetblogs.be/ ), ben ik enigzins verplicht de komende maanden daar boeken over te lezen.
Nu, zo’n zware opgave is het nu ook weer niet. De boeken die op mijn lijstje staan lijken me een voor een bijzonder interessante litteratuur. Waar bestaat de toekomst uit? Welke trends vormen de onderstromen voor maatschappelijke veranderingen? En vooral: hoe moet je als bedrijf en individu rekening houden met deze trends om er beter van te worden, als individu, maar ook als maatschappij...
De eerste op mijn lijst is Ecological Intelligence: The Coming Age of Radical Transparency van Daniel Goleman (ook in het Nederlands te verkijgen bij Uitgeverij Contact). Waarom met deze beginnen? Wel, het hoeft geen betoog dat ‘duurzaamheid’ een trend is die de laatste tijd –mede door de crisis- vorm heeft gevat en in de komende decennia steeds zal groeien, zowel voor individuen als voor ondernemingen. Doch, behalve mijn eigen pogingen om de ‘carbon footprint’ van mijn gezin te verminderen, weet ik feitelijk heel weinig over het onderwerp.
Een auteur kiezen die het thema behandelt vanuit een psychologische hoek (Goleman is tevens auteur van Emotional Intelligence: Why it Can Matter More Than IQ en Social Intelligence: The New Science of Human Relationships
), leek mij een goed begin. En dat is het zeker, al zij het op een manier die ik niet had verwacht.
Ik verwachte een overzicht van de belangrijkste trends op gebied van duurzaamheid, voorbeelden van wat er werkt en wat niet, raadgevingen en toekomstbeelden. In de plaats lees ik een boek over één enkel idee. Maar wat voor een!
Het centrale thema van het boek is ‘radicale Transparantie’. In de ideale werled van Goleman zouden alle kopers van goederen of diensten volledig geïnformeerd zijn over de ecologische, sociale en gezondheidsimpact van het product, niet enkel tijdens het gebruik ervan, maar doorheen de hele levenscyclus –van het vervaardigen van de grondstoffen tot wanneer het product aan haar einde komt. Kopers zouden op basis van deze informatie hun aankopoopsbeslissing wijzigen naar producten die kenmerken vertonen die belangrijk is voor hen (ecologisch verantwoord, gezond, etc).
Radicaal genoeg, maar is het realistisch? Goleman gebruikt de tweede helft van zijn boek om voorbeelden aan te geven van initiatieven die die ‘radicale transparantie’ moeten verwezenlijken. De meest spectaculaire is wellicht ‘Goodguide’, een bedrijf die nu een systeem uittest waar consumenten met hun mobiele telefoon de barcode van een product kunnen inscannen, en onmiddelijk een rapport krijgen over de volledige levenscyclus van het product zelf, maar ook van de concurrerende producten in die winkel!
Hoe zal dit de koopbeslissing beïnvloeden?
Goleman biedt in het boek een aantal treffende voorbeelden.
Moet iemand die in New York een fles wijn besteld en zich zorgen maakt over de ‘carbon footprint’ van zijn aankoop, nu best een Franse of een Californische wijn kopen? Het gezond verstand zou zeggen: ‘Californische’! Maar het gezond verstand is verkeerd hier. De Franse wijn komt weliswaar van verder, maar komt per boot, wat stukken minder vervuilend is dan de vrachtwagen waar de Californische wijn mee wordt vervoerd.
Doet u er goed aan uw tomaten bij een boer in de buurt te kopen? Misschien, maar niet noodzakelijk. Het kan best zijn dat de zaden waar de tomaten uit gekweekt werden uit een Chinese kwekerij komen met lamentabele arbeidstoestanden.
Niets is wat het lijkt, en enkel de ‘radicale transparantie’ kan consumenten helpen de (voor hen) juiste beslissing te nemen.
Waarom zou ‘radicale transparantie’ goed zijn?
Nobelprijswinnaar Economie Joseph Stiglitz heeft aangetoond dat een gezonde, efficiënte economie moet steunen om een evenwichtige beschikbaarheid van informatie tussen kopers en aanbieders. De laatste decennia is dit evenwicht niet bereikt, en beschikten aanbieders systematisch over meer informatie dan de aankopers, waaruit veel excessen van de laatste jaren kan worden verklaard. Een herstellen van dit evenwicht, waar de kopers terug over evenveel informatie zouden beschikken als de aanbieders, zou soelaas moeten brengen.
Of, duidelijker gesteld: indien een voldoende groot aantal kopers hun koopbeslissing baseren op eenzalefde argument (ecologisch, sociaal of gezondheid), zal dat de aanbieder dwingen om zijn gedrag aan te passen. Maar daarvoor heeft de koper voldoende informatie nodig over de volledige levenscyclus van het product.
Dit is geen waanbeeld, blijkbaar hebben bedrijven als Coca Cola en Procter & Gamble bepaalde processen en controles al in die zin gewijzigd.
Een duurzamer manier van zakendoen zal niet noodzakelijk door de wetgevende macht worden gestimuleerd, maar wel onder druk van de (geïnformeerde) kopers.
Zal het iets uitmaken?
Natuurlijk laat niet iedereen zijn koopbeslissingen afhangen van de ecologische of sociale impact van zijn aankoop. Maar onderzoek wijst uit dat een substantieel aantal kopers voor een kleine meerprijs bepaalde ‘ethische’ producten zouden kopen. Met andere woorden is de ‘prijselasticiteit’ van ethische producten niet zo stijl als wordt aangenomen.
Daarbij komt nog dat ethische producten niet noodzakelijk duurder zijn.
Het stemt totoptimisme, en zoals Goleman aangeeft is deze trend zeker niet onrealistisch.
Een nuttig werk, en zeker een trend om in de gaten te houden!
Klik hier om het boek te kopen (Engels)
21:50 Gepost door Frederic De Meyer in Actualiteit, Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
01-07-10
Het zevenentwintigste boek (M.E. Nabe) **
Marc-Edouard Nabe neemt een uitzonderlijke maar weinig benijdenswaardige plaats in onder de Franse hedendaagse romanschrijvers. Leeftijd- en stijlgenoot van Houllebecq, tevens zijn buurman voordat Houllebecq succes begon te oogsten, hij is de auteur van een dertigtal boeken die zonder uitzondering door de pers worden vergruisd en door het publiek worden genegeerd... de man heeft duidelijk wat frustraties te verwerken.
Het is waar dat de man nogal heftig tekeergaat in de controverses die hij uitlokt. In zijn eerste boek bijvoorbeeld, uit 1985, ‘Au régal des vermines’ (‘de wellust van het ongedierte’) schoffeert hij alles wat blank, zwart, joods, katholiek, rechts of links is, in een geheel eigen stijl die verfijning met brutaliteit vermengd. Zijn teksten en meningen zijn zuiver provokatief, er bestaan geen grenzen of taboe’s in zijn ogen. Je moet het bijvoorbeeld durven om te stellen dat het regime van Vichy inherent is aan Frankrijk, of dat een hele klasse joden zich rijk maken op de rug van de hoop verrotte botten in Auswitz (zijn woorden). Hij heeftmisschien een punt, en ander schrijvers hebben wellicht nog grovere stellingen geuit, maar gelijk hebben en gelijk krijgen zijn twee verschillende dingen. Zeker in Frankrijk is het een kwestie van stijl.
Het zijn confronterende gedachten, maar zelfs als je het niet eens bent met zijn stellingen is het geen reden om hem niet te lezen, of om hem te boycotten zoals in Frankrijk gebeurt –op een duizendtal die-hard fans na.
Ik heb totnogtoe enkel fragmenten uit zijn werk gelezen. Dit ‘Het Zeven-en-Twintigste Boek’ is mijn eerste, en laat me met gemengde gevoelens achter. Vooreerst is het geen roman, maar een open brief aan Houllebecq met wie hij de miserie van de jonge schrijversjaren deelde. De een is in de miserie achtergebleven, de ander is een bestsellende wereldauteur geworden.
De open brief zit dan ook gekneld tussen sentimenten van wroeging, pogingen tot het rechtvaardigen van zijn ijdelheid als auteur, pogingen tot het verklaren van de verschillende lotsbestemmingen van beide auteurs, en tenslotte een mengeling van nijd en bewondering voor Houllebecq zelf (‘Tu as désormais trop de succès pour faire un ‘grand écrivain’ tel que le fantasme la société des lettres’).
Gemengde gevoelens dus, maar niettemin een zin om meer van de man te ontdekken. Een geluk dat net een bloemlezing uit zijn werk is uitgegeven, staat alvast op mijn aankooplijstje.
Al is hij niet ‘successvol’, Nabe mag toch een kleine trots uit zijn werk puren: zijn eerste roman heeft ondertussen een cultstatus verworven bij zijn fans, en gezien zijn werken niet meer worden heruitgegeven bereiken ze op eBay regelmatig een absurd hoog bedrag (ik heb er aan 100 euro zien voorbijgaan; de originele uitgave van zijn eerste boek staat op de tweedehandsmarkt van Amazon zelfs te koop voor 170 euro!).
Tot slot een staaltje van s’mans bijtende visie en even scherpe pen, wanneer hij het heeft over de huidige generatie Franse romanschrijvers, die hij verwijt nooit tot enige essentie te komen in hun werk: ‘Trouver dans la moquerie de l’essentiel une sorte de profondeur est la caractéristique des nouveaux cyniques’.

Click hier om het boek te kopen: Le Vingt-Septième Livre
Of nog beter het boek met de 'best of':
14:55 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
29-05-10
De eenzaamheid der priemgetallen (Paolo Giordoni) *
Eerlijk gezegd, ik versta nog steeds niet hoe dit werk op zoveel bijval kon rekenen.
Nu goed, het ‘hypen’ van romans hoort nu eenmaal bij de boekenbusiness, en het gebeurt wel meer dat ik mij uit nieuwsgierigheid door de hype laat beïnvloeden. Het heeft me trouwens ook vaak memorabele leesmomenten opgeleverd, zo herinner ik me het eerste success van Amélie Nothomb (Hyiène de l’assasin) nog levendig, of het overweldigende debuut van Donna Tartt (De verborgen geschiedenis). Ik mag dus niet klagen...
Maar dit hier? ‘Een triomf’, ‘een grandioze roman’, ‘een van de belangrijkste boeken van het jaar’, staat op de achteflaprflap. Terwijl het om niet anders gaat dan een rechtoe-rechtaan verhaaltje bespekt met vlakke, betrekkelijk oninteressante personnages.
In navolging van Nabokov heb ik even de proef op de som genomen en de ‘structuur’ van de roman bestudeerd. De 44 hoofdstukken vallen makkelijk samen te vaten in een (1!) zin per hoofdstuk, genoeg voor een samenvatting van niet enkel de naakte gebeurtenissen, maar ook de psychologische evolutie van de protagonisten. Het geheel –met plot, psychologische wendingen, alles incluis- kan dus heel makkelijk in 44 zinnen worden samengevat. Makkelijk in nog minder, want vaak zijn de toegevoegde hoofdstukken zinledig of overlappen ze elkaar.
Kortom, het geheel vormt een mooi verhaaltje, dat echter een lineaire weg langsheen een filterdun lijntje volgt en nooit enige top bereikt.
Dit zou hem nog vergeven worden mocht Giordano van enige stylistische meesterschap getuigen, of van een inoverende litteraire kracht, laat staan van diepzinnige inzichten in de menselijke aard of van een onweerstaanbare zin voor humor of zwartgalligheid. Maar niets daarvan.
Boodschap is: laat u niet misleiden door de critici!
(dus ook niet door mij ;-)

<-->
16:21 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) | Email dit
|
|
Facebook |
25-05-10
De namiddag van mijnheer Andesman (Margueritte Duras) ****
Moeilijk om niet wezenlijk ontroerd te zijn door de hoogbejaarde, zwaarlijvige mijnheer Andesman, die een hele namiddag in de brandende zon op de heuvel zit te wachten op een aannemer die er een terras zou bouwen, aan de voet van het huis dat mijnheer Andesman net voor zijn geliefde dochter heeft gekocht.
Komt het door de hitte, de blakende zon, zijn ouderdom, of zijn zwaarlijvigheid, dat hij zo verward lijkt? Zo bijvoorbeeld, wanneer de dochter van de aannemer hem komt melden dat haar vader wat later zou komen, en hij zijn liefde voor zijn dochter op het meisje projecteert: ‘Il reste là encore à ne pas aimer cette enfant qu’il aimerait s’il le pouvait, et il se meurt de ne pas le pouvoir, d’une mort factice qui ne le tue pas’.
Hij praat in zichzelf, op een manier die doet vermoeden dat hij de personnages die hem op de heuvel komen bezoeken gewoon verzint, en dat de personnages die hij beneden in het dorp denkt te zien bewegen (zijn dochter, de aannemer) niets meer dan schimmen zijn in het speelstuk van zijn herinneringen. Hij praat in zichzelf, maar hij herkent zijn eigen stem niet meer.
De personnages lopen op een vreemde manier in elkaar over. De scène waarin de vrouw van de aannemer hem komt opzoeken is een echo van de scène waarin haar dochter hem opzocht, en het gesprek dat ze voeren over het verleden (hoe kan ze zoveel over het zijne weten?) en over zijn dochter (hoe kent zij haar?) doet vermoeden dat haar rol in zijn verwarring veel groter is dan wat op het eerste zicht lijkt.
De sleutelzin in hun gesprek over zijn dochter Valerie (‘Il faut que votre amour de Valerie s’ahbitue à être loin de son bonheur’) doet iets vreselijks vermoeden, hoe is hij de liefde van zijn dochter dan kwijtgespeeld? Bestaat die dochter wel nog ?
Het verhaal kan op onmogelijk veel manieren worden geïnterpreteerd, waardoor het een werkelijk indringende ervaring wordt –weliswaar frustrerend voor de lezers die van lineaire, logische verhaallijnen houden.
Wat mij betreft weet ik het zeker: het beeld van de oude, verwarde mijnheer Andesman die op zijn terras nodeloos op een aannemer wacht, zal mij nog lang nablijven.

Click hier om het boek te kopen: L'Après-midi de monsieur Andesmas
17:05 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
14-05-10
Le vice-consul (Marguerite Duras) **
De romans van Margueritte Duras lijken soms op een spel kaarten dat voortdurend dooreen wordt geschud. Dit levert interessante, betrekkelijk makkelijk verteerbare lectuur op wanneer het kader zich beperkt tot twee of drie personnages, die zich in een of twee ruimtes bewegen (zoals in het meeste van haar latere werk, ‘La Maladie de la Mort’ of ‘Yeux Blues, Cheveux Noirs’), maar doet de lezer ploegen wanneer er meer dan vijf personnages opduiken in een roman die zich afwisselend in Indochina (‘ergens langs de Mekong’), Calcutta en het ongewisse afspeelt.
Volgt u even mee:
(A)In de eerste pagina’s volgt men een zwanger meisje dat omwille van de zwangerschap door haar familie wordt verstoten, en een aantal jaar heen en terug langs de rivier Mekong zwerft. Dit levert een paar mooie beelden op waarin de honger bijna een personnage ‘an sich’ wordt.
(B)‘Zoom out’ op het meisje, ‘zoom in’ op de Franse ambassade in Calcutta, waar de ambassadeur en een zekere Charles Rosset het geval bespreken van een Franse Vice-Consul die zich in Lahore zou hebben misdragen. Introductie van een mysterie. Niet vergeten dat Duras danig sterk door het cinematografisch proces werd beïnvloed –de meeste van haar romans kunnen best als filmscripts gelezen worden.
(A)Het meisje bevalt en schuimt de markten af (waar?) op zoek naar blanken die haar kind zouden adopteren. Uiteindelijk slaagt ze erin om een blanke vrouw en haar dochter te overtuigen haar kind mee te nemen.
(achteraf gezien: vanaf dit ogenblik wordt het meisje een schim dat zingend dwaalt rond de Franse ambassade in Calcutta, vermoedelijk om zo dicht als mogelijk bij haar kind te blijven ? Valt niet uit te maken in de roman, gezien haar kind in geen enkel opzicht nog ter sprake komt)
(B)Terug naar ambassade (in de buurt van dewelke de zwerfster vertoeft) waar een groot bal wordt gehouden. De aanwezigheid van de Vice-consul zorgt er voor de nodige opschudding. Roddels, speculaties en lasterpraat over zijn gedrag in Lahore, vormen er de basis voor alle gesprekken. Iedereen volgt hem wanneer hij met de vrouw van de ambassadeur danst –ze kennen elkaar duidelijk van voor het bal, intiem zelfs, zo lijkt het-, die hem ondervraagt over wat werkelijk is gebeurd in Lahore, in welke geestesstaat hij er vertoefde. Hij lost niets, drinkt overmatig en wordt, roepend en tierend, schaamtelijk uit de ambassade gejaagd.
(C)De ambassadrice –die gekend staat om haar veelvuldige minnaars- gaat op reis met een aantal Engelsen en een medewerker van de ambassade die hoopt haar minnaar te worden. Ze blijven enkele dagen in een luxehotel in de delta van de Ganges –waar de zwerfster hen volgt en gadeslaat. De dagen worden gevuld met bizarre gesprekken tussen de personnages, die iets irreëels uitstralen, als bevonden ze zich buiten enige tijd of ruimtedimensie.
(B) Het boek eindigt met een gesprek tussen de Vice-Consul en de directeur van een Franse vereniging (er zijn verschillende gesprekken tussen beide doorheen het boek), waarin de Directeur nogmaals tracht te weten te komen wat er precies in Lahore is gebeurd, maar de Vice-Consul lost niets.
U ziet het, het werk biedt meer vragen dan antwoorden, de exacte aard van de relaties tussen de personnages is geen vaststaand gegeven, en zelfs de elementen die een antwoord zouden kunnen bieden (er worden wel hints gegeven over wat er in Lahore is gebeurd) worden overgoten met een zweem van waanzin of verwarring, zodat men uiteindelijk van niets meer zeker is.
Ik zei het reeds: Duras schudt graag met de kaarten, niet zo zeer in de verhaallijn –deze is redelijk rechtlijnig, maar in de evolutie van haar personnages (het groeiend inconsequente gedrag van de Vice-consul bijvoorbeeld) en in de verhoudingen tussen hen (de mysterieuze band tussen de Vice-consul en de vrouw van de ambassadeur).
Margueritte Duras lezen, het blijft een boeiende ervaring.

Klik hier om het boek te kopen op Amazon Frankrijk: Le vice-consul
<-->
18:13 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
13-05-10
Cour Nord (Antoine Choplin) *
Het thema is veelbelovend: een weduwenaar en zijn zoon werken in dezelfde fabriek. De vader is vakbondsleider van de oude stempel, een ruige, beetje norse man die bij de aankondiging van de sluiting van de fabriek zelfs in hongerstaking gaat. In diezelfde fabriek vervult de zoon samen met een oude immigrant de meest ondankbare taken, tot groot ongenoegen van zijn vader. De zoon is jazzmuziekant in zijn vrije uren, wat zich tevens uit in een soms ‘jazzy’ schrijfstijl van Choplin (‘Tous deux. Vers l’aéroport. Plusieurs secondes.’). De roman eindigt met een troosteloos –maar zo banaal geworden- beeld van een regio in verval.
Meer dan deze mooie schets biedt het werk echter niet. Het voornaamste probleem is de ‘unidemensionaliteit’ van de personnages, ze lijken vastgevroren in een welbepaalde staat van zijn, ze evolueren niet. In zekere zin doen ze mij denken aan de personnages uit de strips van Schuiten en Peeters in hun reeks ‘Duistere Steden’: ze lijken nooit te bewegen, ze lijken op borden die eerder toevallig tegen een gevel werden geplakt, zonder richting, zonder doel. Als het de bedoeling was, dan is het zeker geslaagd, maar het levert niet noodzakelijk goede litteratuur op (iets waar Schuiten en Peeters wèl in slagen).
Het thema had beter verdiend.

<-->
12:21 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
08-05-10
Flaubert, Proust, Kafka (V. Nabokov) ****
In de jaren 50 gaf Nabokov een aantal lezingen aan verschillende Amerikaanse universiteiten. De lezingen bieden een eigenzinnige –zij het consequente- kijk op enkele grote werken uit de wereldlitteratuur. Ze vormen een levende –en levendige- getuigenis van hoe Nabokov tegen de roman als kunstvorm aankeek: geen gebazel over het zoeken naar wat de auteur van zichzelf in de roman steekt, volgens Nabokov is een roman een pure daad van creatie, zuivere fictie. Vandaar dat Nabokov ook fulmineert tegen de Freudiaanse analyse van romans (Freud noemde hij systematisch ‘de kwakzalver uit Wenen’).
Het moet boeiend geweest zijn om Nabokov’s lezingen uit zijn mond te horen –men zou het hem makkelijker vergeven af en toe van de hak op de tak te springen en soms de draad bijster te zijn. Nu goed, men kan het hem ook vergeven bij het lezen van de geschreven teksten, want het blijft uitermate boeiend te zien hoe hij op zoek gaat naar de betekenisvolle details in de roman, hoe hij de structuur ervan analyseert, welke relatie hij legt met andere romans.
Ik heb de lezingen kunnen bemachtigen in de Franse editie Fayard uit de jaren 90. Deze bestaat uit drie delen, waarvan vooral deel 2, uitsluitend gewijd aan de Russische Litteratuur, mij interesseert, maar niet meer kan vinden (ook niet op eBay of Kapaza). Voor de geïnteresseerden: alle lezingen zijn sinds kort ook uitgegeven in de collectie ‘Bouquins’. In het Nederlands vind je makkelijk Nabokov’s biografie van Gogol .
Madame Bovary – Gustave Flaubert
Bij de aanvang van zijn lezing over het meesterwerk van Flaubert probeert Nabokov te definiëren hoe Flaubert de term ‘bourgeoisie’ verstaat –geen onbelangrijk gegeven in ‘Madame Bovary’,want volgens Nabokov heeft dit idee zelfs een wezenlijke invloed op de hoofdfiguur van de roman. Flaubert zou de bourgeoisie niet zozeer als een ‘klasse’ zien, dat zou worden gekenmerkt door een welbepaald inkomen of manier van leven, maar eerder door wat Nabokov een ‘filistijnse levenshouding’ noemt.
Wat hij daarmee bedoelt wordt duidelijk bij zijn eerste karakterstudie van de hoofdpersonnage: ‘Madame Bovary is intelligent, gevoelig, vergeleken met anderen redelijk opgevoed, maar haar geest mist elke diepgang’. Bourgeois zijn dus bekrompen mensen, die denken fijn opgevoed te zijn ondanks de beperkte, of verkeerde keuze van intellectuele verrijking die ze maken.
In deze lezing toont Nabokov veel oog voor de kleine details uit het werk. Zo valt hem het hinniken van het paard op, vlak voordat Charles voor het eerst Emma zal zien op de boerderij van haar ouders (een voorbode voor het pijnlijk lot van het koppel). Of bij het kruisgesprek met vier personnages in een taverne, waar Nabokov nogmaals de gebrekkige culturele kennis van Charles en Emma uit distilleert. Of nog: de gelijkenissen en onderlinge verwijzingen tussen verschillende passages in de roman (de ontmoeting, het huwelijk, de begrafenis).
In het feit dat er veelfouten in de roman voorkomen (de wetenschappelijke kennis van de apothecaris vertoont nogal wat hiaten, bijvoorbeeld, maar ook: is het niet merkwaardig dat een vrouw het echtelijke bed nacht na nacht kan verlaten zonder dat het haar man opvalt ?) ziet Nabokov het bewijs voor zijn overtuiging (kan men het een theorie noemen?) dat elke roman een pure creatie is, ontsproten uit de verbeeldingskracht van de auteur... ‘elke roman is een leugen’.
(wat spijtig dat Nabokov de vergelijking niet trekt met de gelijkaardige roman ‘Une Vie’ van Maupassant. De vrouw wordt er door dezelfde motieven als Madame Bovary gedreven, maar met een volledig verschillend resultaat tot gevolg)
Du Côté de chez Swann -Marcel Proust
In deze lezing over Proust’s meesterwerk tracht Nabokov eerst en vooral te bewijzen dat deze roman getuigt van een ware filosofie, een bepaalde visie over het menselijk leven. Zoals wanneer hij de invloed van de filosoof Henri Bergson herkent in het werk:
‘Les idées fondamentales de Proust concernant le temps qui passe portent sur la constante évolution de la personnalité en termes de durée, les richesses insoupçonnées de la frange subliminale de notre esprit, que nous ne pouvons retrouver que par le biais actif de l’intuition, de la mémoire, des rapprochements involontaires ; ce à quoi il faut ajouter la subordination de la simple raison au génie de l’inspiration, et le faitde considérer l’art comme la seule réalité au monde : ces idées proustiennes sont des éditions en couleur de la pensée bergsonienne.’
Schrijven als soort tijdsverdrijf dus, als hersenoefening. De herinnering, het leggen van nieuwe verbanden tussen gebeurtenissen uit het verleden, zijn vormen van artistieke expressie die evenwaardig staan aan de klassieke schilders van de Florentijnse school –die Proust vaak als handleiding neemt om zijn litteraire personnages te schetsen (volgens Nobokov doet hij dit tevens om zijn onkunde de vrouwen te beschrijven, en zijn homofiele bewondering voor mannenlichamen te verdoezelen).
Het meest overtuigende bewijs voor het feit dat het hier om een ‘filosofie’ gaat, vormt het feit dat de zo minutieus geanalyseerde herinneringen uit ‘A la recherche du Temps perdu’ zuiver uit de verbeeldingskracht van Proust ontsproten zijn, ze hadden niets met Proust’s eigen verleden te maken.
Nabokov biedt tevens een samenvatting van het specifieke aan Proust’s niet te evenaren stijl:
1.Een rijkdom aan metaforische beelden;
2.De neiging om een zin uit te rekken tot het uiterste, zowel in breedte als in lengte;
3.De kunst om beschrijvingen en dialogen samen te smelten in plaats van ze apart te behandelen (veelal gebeurt de beschrijving van de omgeving in de dialoog)
Maar meer dan de stijl is het voornamelijk de herinnering, de innerlijke beleving van iemands eigen leven -die uiteindelijk de enige realiteit vormt-, die in Nabokov’s lezing aan bod komt.‘Ce qui ressort de tout cela est que le simple souvenir, l’acte de visualiser rétrospectivement quelque chose, n’est pas la bonne méthode, ne recrée pas le passé.’ Het verleden is subliminaal en kan enkel bewaarheid worden via de distorties van de tijd, omdat het verleden ligt ‘ingebed’ in de evoluerende mens.
Of, in Proust’s woorden: ‘La mémoire consciente reproduit seulement la chaîne de toutes les impressions inexactes, où ne reste rien de ce que nous avons réellement éprouvé, qui constitue pour nous notre pensée, notre vie, la réalité, et c’est ce mensonge-là que ne ferait que reproduire un art soi-disant ‘vécu’, simple comme la vie, sans beauté, double emploi si ennuyeux et si vain de ce que yeux voient et de ce que notre intelligence constate. Alors que la grandeur de l’art véritable, au contraire, c’était de retrouver, de ressaisir, de nous faire connaître cette réalité loin de laquelle nous vivons, de laquelle nous nous écartons de plus en plus au fur et à mesure que prend plus d’épaisseur et d’imperméabilité la connaissance conventionnelle que nous lui substituons, cette réalité que nous risquerions fort de mourir sans l’avoir connue, et qui est tout simplement notre vie, la vrai vie, la vie enfin découverte et éclaircie.’
De metamorfose – Franz Kafka
Deze lezing is feitelijk een korte samenvatting van het werk zelf. Hoofdstuk per hoofdstuk behandelt Nabokov er de voornaamste gebeurtenissen, de ‘flow’ van het verhaal. Niet veel toegevoegde waarde dus, tenzij als geheugensteuntje voor wie –zoals ik- het werk reeds lang geleden hebben gelezen.
U kunt best de roman zelf lezen. Van de lezing heb ik wel een tweetal zaken opgestoken:
1.Een mooie beschrijving van Flaubert over de stijl van Kafka: ‘Kafka aimait tirer ses termes du langage de la loi et de la science, en leur donnant une sorte de précision ironique, sans aucune intrusion des sentiments personnel de l’auteur.’
2.Het beest waar de hoofdpersoon Grégor in muteert is volgens Nabokov geen kakkerlak (wat ik dacht), maar eerder een kever. Feitelijk is hij niet de parasiet, maar is het de familie die beter worden van het verval van Grégor, en alsdusdanig vormt hij het symbool voor de verstoten artiest, het miskende genie omgeven domheid, lafheid en onwetendheid.
...enfin, mocht u het nog niet gedaan hebben: beste is ‘De metamorfose’ zelf te lezen.

Click hier om de lezingen in het Engels te kopen:
Of de volledige lezingen in het Frans:
21:03 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
29-04-10
De Tovenaar (V. Nabokov) ****
Mag litteratuur alle onderwerpen behandelen ? Ja. Wat mij betreft is het juist een van de voornaamste doelstellingen –misschien zelf een fundamenteel bestaansreden- van de litteratuur om alle onderwerpen te belichten, in zoveel mogelijke vormen, vanuit elk denkbaar perspectief. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat het louter bespreken van een onderwerp het tot litteratuur verheft. Daarvoor is een stijl nodig die verwondering opwekt of die uitnodigt tot nadenken, een narratieve structuur die impliciet onderliggende verhalen suggereert of een alternatief plot mogelijk maakt, die de verbeelding prikkelt, de zenuwen bestreelt, een geheel vormt waarvan de nasmaak tot voor, tijdens en na het slapengaan blijft duren en een gevoel achterlaat dat dagenlang –zoniet een heel leven- nazindert. Een roman moet een eigen leven opwekken in de lezer ervan, een onafhankelijk orgaan doen ontstaan dat een wezenlijk, vitaal onderdeel wordt van het leven van de lezer, wiens eigenbeeld onvolledig zou zijn zonder die ene roman, zonder die ene zin, dat ene beeld dat door een schrijver zou worden geïnsinueerd. Men is wat men leest ? Neen, men is wat men ervan onhoudt, wat men ervan in zich meedraagt. En een schrijver, een auteur, is niets anders dan de som van alle veranderingen, alle geesteswendingen die hij in zijn lezers heeft teweeg gebracht.
Maar goed, terug naar ‘De Tovenaar’ van Nabokov, waarvan de lezing me een vaag onpasselijk gevoel gaf, omwille van het onderwerp, hoewel het onmiskenbaar behoort bij wat de wereldlitteratuur als meest impactvolle, als meest verrijkende te bieden heeft.
In veel opzichten is ‘De Tovenaar’ een voorontwerp van Nabokov’s ‘Lolita’, hoewel de schrijver zelf beide werken als volledig los van elkaar beschouwde. Feitelijk is enkel het thema gelijkaardig. ‘Lolita’ heb ik zo’n 15 jaar geleden gelezen, maar van wat ik me ervan herinner werd de passie er net iets meer verholen, werd de rauwe sexuele aantrekkingskracht van het roofdier er net iets minder expliciet behandeld.
‘De Tovenaar’ daarentegen laat niets aan verbeelding over. In de eerste twee pagina’s spreekt een ‘ik’ die zich lijkt te verantwoorden, of die tenminste een uitleg zoekt voor zijn sexuele geaardheid. Hij doet dit overtuigend, rationeel, men zou bijna geloven dat hij goedaardig is, al ziet een aandachtige lezer de zwakheden van zijn betoog –en daardoor de impliciete dreiging die van het personnage uitgaat- in: ‘Grove zinnelijkheid is omnivoor; de subtiele vorm veronderstelt oververzadiging’ (p. 17).
Na deze inleiding springt Nabokov over naar de ‘hij’ vorm, als om duidelijk te maken dat hij zich de stellingen van het personnage niet eigen maakt (de analyse van Nabokov’s zoon over ‘De Tovenaar’ en ‘Lolita’ zijn overduidelijk in die zin: Nabokov’s interesse in het onderwerp moet gezien worden in een bredere interesse voor afwijkende, geesteszieke toestanden).
We volgen een man die op een bank in een park plotseling passioneel verliefd word op een jong meisje, dat al rolschaatsend naar een vrouw op dezelfde bank komt aangereden. Hij knoopt een gesprek aan met de vrouw, waarvan hij verneemt dat zij het meisje opvangt in een dorp op het platteland, omdat de echte moeder van het kind zwaar ziek is.
Meteen smeedt de man allerlei plannen om zo veel als mogelijk dicht bij het meisje te vertoeven. Hij huwt zelfs met haar moeder, die op stervens na dood is en voor wie hij een wezenlijke walging ervaart.
De psychologische ontwikkeling, een mengeling van plannen en toekomstdromen die voortdurend gedempt worden door de werkelijke omstandigheden, culmineert in de scène van de huwelijksnacht, waarbij het hoofdpersonnage voelt dat er van hem verwacht wordt dat hij de liefde bedrijft met zijn bruid. Een hoogtepunt dat een aantal pagina’s lang blijft aanhouden...
De moeder sterft uiteindelijk, waardoor de man de voogdij krijgt over het kind. Op dat ogenblik lijkt nog rationeel tegen de situatie aan te kijken–tenminste, hij probeert zichzelf in zijn opwinding zijn ultieme droom verwezenlijkt te zien, tot matiging en geduld te dwingen.
Hij besluit met het meisje op reis te gaan naar het zuiden. De eerste nacht belandt hij in een hotel waar de enige beschikbare kamer een dubbelbed bevat. De rest moet u zelf maar lezen, vrees ik, maar de verwarde geestesstaat van de man kan met deze ene zin getypeerd worden: ‘Hij kon het brandpunt van zijn geluk gewoon niet vinden, hij wist niet waarmee hij moest beginnen, wat hij kon aanraken en hoe hij binnen de grenzen van haar rust ten volle van dit uur kon genieten’.
Het werk stoort, laat dat duidelijk zijn. Niet zozeer –of niet enkel- omwille van het onderwerp –een man die allerlei snode plannen ontwerpt om een jong meisje te ‘verroveren’-, maar vooral omwille van het genuanceerde beeld dat geschapen wordt van ‘het monster’. De instrospecties van de man geven een beeld van een rationeel persoon, die beseft dat hij ergens een monster in spé is, maar er danig van overtuigd is dat hij zijn driften in de hand kan houden. Dit gegeven vormt een constante onderliggende dreiging in de roman... Alsmede een grote confrontatie voor de lezer, want men zou het monster gaan geloven in zijn logica, en juist door dat geloof groeit een vorm van medelijden met de persoon. Medelijden voor het monster...
Of zoals Nabokov’s zoon in een nawoord schrijft: ‘De gelaagdheid van het verhaal blijkt het frappantst in de beeldspraak met zijn dubbele en driedubbele bodems. [...] Meervoudige niveaus en betekenissen komen zoals bekend bij Nabokov veelvuldig voor. Maar het koord waarover hij loopt is hier scheermesdun, en de virtuositeit bestaat in een opzettelijke vaagheid van verbale en visuele elementen met als som een complexe, op geen andere wijze definieerbare, maar volstrekt nauwkeurige eenheid van communicatie.’

<-->
18:03 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
18-04-10
Het Oog (Vlamimir Nabokov)
Neen, ik laat me niet inpalmen door de nieuwe hetse rond Nabokov, gedreven door zijn posthuum uitgegeven ‘Het origineel van Laura’. Het feit dat het boek bestaat uit losse aantekeningen, en dat hij het zelf niet wou publiceren, lijken me redenen genoeg om het werk links te laten liggen. Tenslotte heeft de man nog zoveel moois achtergelaten, dat wel afgewerkt is en waar hij wel trots genoeg op was om te laten uitgeven.
Neen, de werkelijke reden waarvoor ik naar Nabokov teruggrijp is om het feit dat ik een aantal lezingen die hij gaf over de grote romans uit de wereldgeschiedenis, aan het doornemen ben. Hierover echter meer in mijn volgende blogs.
Ter afwisseling van deze lezingen beslis ik het werk van de man zelf nog eens ter hand te nemen. Ik begin met ‘Het oog’, een novelle die hij oorspronkelijk in 1930 schreef, in een fraaie uitgave van De Bezige Bij uit 1992.
De verteller in deze novelle is een jonge, naar Berlijn geïmmigreerde Rus, die wordt aangeworven als leermeester voor twee jongens uit een welgestelde Russische familie. De man wordt de minnaar van een Russin, wiens jaloerse echtgenoot, wanneer hij erachter komt, hem voor de ogen van de twee jongens een serieus pak slaag geeft. De verteller is zodanig geschokt door dit voorval dat hij het huis verlaat en een kamertje huurt in destad teneinde zich een kogel door het hoofd te schieten.
Hij wordt wakker in de zekerheid dat hij dood is, en dat alles wat er zich vanaf dan afspeelt de vrucht is van zijn verbeelding. In deze –voor de lezer- onzekere staat komt hij in een ‘kring ‘ terecht rond een aantal onscherp afgelijnde hoofdpersonnages: de knappe Warja, haar zuster en diens man, een Kolonel Moechin die uiteindelijk de verloofde wordt van Warja, een Roman Bogdanovitz, een mysterieuze maar duidelijk onbetrouwbare Smoerov, en ten slotte de paranoïde boekhandelaar Weinstock.
Rond deze personnages breidt zich een mengelmoes aan conflicten en onderlinge relaties, waarbij de verteller (‘het oog’) duidelijk een rol speelt, hoe onduidelijk deze ook is. Naarmate de novelle vordert laat Nabokov wel meer en meer hints los over hoe de vork precies in de steel zit, om met een verrassende wending de finale duidelijkheid te geven.
Het geheel vormt een heerlijk frisse klucht. Met wervelende situaties en een knap gebruik van zijn personnages (in zijn voorwoord verwijst Nabokov naar hoe de verschillende standen en ‘types’ van de Russische maatschappij zorgeloos worden ‘bijeengeveegd’ eenmaal ze zich in ballingschap groeperen) schets Nabokov het beeld als zou de mens enkel bestaan doorheen de reflectie die het krijgt van en uit andere mensen. De licht scizofrene hoofdpersoon is er namelijk voortdurend naar op zoek precies te weten wat de anderen van hem denken, teneinde zichzelf een identiteit te kunnen verlenen.
Maar wellicht legt Nobokov in zijn voorwoord het beste uit waar de novelle om draait –zonder het plot te verklappen-: “Het thema van ‘Het Oog’ is het volgen van een spoor dat de hoofdpersoon door een hel van spiegels voert en eindigt in het samengaan van twee identieke beelden”.
...een knap staaltje meesterschap.

<-->
14:14 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
16-04-10
Het Keerpunt (Klaus Mann)
In navolging van ‘De Wereld van gisteren’ van Stefan Zweig , dat ik een aantal weken terug gelezen heb, heb ik me de laatste weken toegelegd op de autobiografie van Klaus Mann. Hoewel beide heren verschillen van leeftijd, hebben ze de cruciale jaren Twintig van de vorige eeuw ongeveer op dezelfde manier beleefd. Ik was benieuwd of Klaus Mann een ander beeld zou scheppen, nieuwe gezichtspunten zou beschrijven of andere accenten zou leggen in vergelijking met Zweig. En, toegegeven, ik was tevens benieuwd naar Klaus’ ervaring met zijn vader, ‘De Tovenaar ‘Thomas Mann.
De biografie wordt pas echt interessant vanaf de jaren Twintig, wanneer Klaus als prille twintiger de wereld rond reist. Daarvoor schrijft Klaus de obligate hagiografie van zijn familie - de frivole grootvader die met een Braziliaanse métisse huwt, het huwelijk van vader Thomas met een vrouw uit de hoogste standen van Munchen. De eerste zware teleurstellingen, wanneer blijkt dat de gouvernante die de Mann kinderen van kleinsaf aan mee heeft grootgebracht, een kleptomane is die hen (ook de kinderen) al jaren bestal. Een paar mooie anekdotes ook, bijvoorbeeld hoe de kinderen ertoe kwamen hun vader de bijnaam ‘De Tovenaar’ te geven (Klaus en zijn broer Golo hadden bij het slapengaan angstaanvallen omdat ze spoken zagen. Vader Thomas kwam hen in hun kamer bezoeken om een ‘strategisch plan’ te bespreken. Eerst stelt hij voor dat ze de spoken volstrekt negeren, die zouden uit verveling of schaamte dan wel vanzelf weggaan. Mocht dat niet lukken, zo gaat hij verder, moeten ze de spoken maar vragen elders angst te gaan inboezemen, dat een kinderkamer geen plek is waar een zichzelf respecterend spook in ronddwaalt. En mocht dat niet lukken, besluit vader Thomas, moeten ze de spoken vertellen dat hun vader nogal geïrritteerd kan worden als er lelijke verschijningen in zijn huis rondlopen, en dat ze in de spokenwereld maar al te goed weten hoe schrikwekkend de woede van Thomas Mann wel kan zijn. Deze strategie was zo doeltreffend dat beide broers hun vader ‘De Tovenaar’ zijn gaan noemen).
Het relaas van de jeugdjaren doorspekt Klaus met een aantal diepere analyses, over de aard van de autobiografie, bijvoorbeeld –net als Proust is hij van mening dat de realiteit pas vorm neemt bij de herinnering eraan- maar vooral over zijn generatie, waar hij een niet al te vleiend portret van schetst. Enerzijds is het verbazend vast te stellen hoe vrijgevochten, anarchistisch en intellectueel de jeugd –althans de jeugd die uit hetzelfde beschermde milieu als Klaus komt- was, maar in Klaus’ ogen was diezelfde jeugd fundamenteel onevenwichtig want ze werden grootgebracht in een maatschappij die ‘doelloos’ was geworden, zonder wil tot leven, rijp voor het verval.
Midden jaren Twintig begint Klaus intensief te reizen. Hij houdt helemaal niet van het stugge Londen, wordt verliefd op Parijs en Tunesië, en is gedegouteerd van het fascistische Italië. Hij keert terug naar Parijs waar hij een groot aantal blijvende relaties aanknoopt, onder meer met de dichter René Crevel van wie hij een heel indringende beschrijving maakt. Zijn reizen brengen hem op toernee doorheen de VS (enkele van zijn werken waren er al uitgegegeven), om via Japan en Rusland terug naar Europa te keren. Het contact met de andere culturen heeft hem alleszins doen inzien dat Europa ondanks –of juist door- haar tegenstrijdigheden alle kiemen van een ‘ideële’ humanisme in zich houdt.
Dit idee drijft Klaus wellicht naar idealistische keuzes (hij noemt ze zelf eerder ‘naïef’). Zo wordt hij fervente aanhanger van het ‘Pan-Europese’ initiatief van Schneider-Creuzot, dat een nauwere integratie tussen Duitsland en Frankrijk voorstond. Naïef of niet, zoals zo vaak in zijn leven ‘belichaamt’ Klaus zijn ideaal, zonder het zelf te beseffen. Als Duitser heeft hij een passie ontwikkeld voor vele Franse schrijvers en denkers –zo getuigen zijn prachtige beschrijvingen van Cocteau, Gide, Jean Giraudot, Julien Green. Hoe kon hij anders dan een Frans-Duitse integratie te wensen ?
Eind jaren Twintig begint de sfeer in Duitsland ernstig te verzieken, maar is nog niet geheel verzuurd, zo getuige deze relatief ludieke anekdote: op een gegeven ogenblik bevinden Klaus (voor een vierde Jood) en een Engelse vriend zich op een toespraak van Hitler, waarin deze hij de Joden van alle kwaad in Duitsland beschuldigt. Tenmidden van de dolenthousiaste menigte slaat de Engelse vriend van Klaus uit: ‘Zijn ze gek? Dit is walgelijk !’. Een mens moet durven...
De sfeer verziekt pas werkelijk in de jaren Dertig. Klaus zelf verstaat niet waarom de meeste van zijn vrienden en mede-intellectuelen zich niet ronduit tegen Hitler uitspreken, het zegt al veel. Klaus heeft overigens Hitler van heel dichtbij gezien – hij zat aan een naburige tafel in een tea-room zich vol te vreten van zijn lievelingstaartjes. Klaus bekijkt hem lang en komt tot de conclusie dat iemand met zo’n neus nooit over Duitsland kon heersen...
De sfeer verziekt onontkomelijk. In ’32 wordt Hitler kanselier en begint voor Klaus een lugubere confrontatie met een reeks zelfmoorden van mensen die hem dierbaar zijn, een reeks die zich verder zet tot het einde van zijn biografie. De reeks begint met twee tantes en zijn beste vriend met wie hij een reis zou ondernemen naar Iran (toen nog Perzië).
De jaren Dertig worden gekenmerkt door de immigratiegolf van Duitsers. Ook de familie Mann verhuist naar de VS. In die jaren zwerft Klaus wat doelloos rond. Hoewel hij resoluut anti-fascist is, voelt men dat hij geen politieke ‘ruggegraat’ heeft, hij is nog zoekende. Zijn overtuigingen vormen zich voornamelijk door dat waarin hij NIET gelooft. Het is pas bij het uitbreken van de oorlog dat Klaus politiek positie inneemt. Hij denkt na over het feit of geweld al dan niet gerechtvaardigd is om geweld tegen te gaan (Ghandi en Tolstoï argumenteren voor een volstrekte geweldloosheid), en hij begint de complexiteit in te zien van de na-oorlogse situatie (‘de overwinning van de democraten kan vrede brengen –ik durf niet te zeggen: ‘zal’ ‘).
De jaren 1940-42 komen aan bod aan de hand van notities uit zijn journaal, de jaren 1942-45 bestaan uit brieven die hij stuurde van het front –met veel moeite werd hij tot ‘US Citizen’ genaturaliseerd om aan de zijde van de geallieerden te gaan vechten. Beide leveren mooie inzichten, maar bovenal laten ze een beeld achter van een zoekende, twijfelende man, een man die zin probeert te geven aan zijn leven, ondanks alle tegenslagen: het groeiende aantal zelfmoorden van vrienden, vrienden die zich ronduit tegen hem keren, het faillissement van zijn anti-fascistisch tijdschrift.
Niet verbazend dat hij zo wanhopig poogt zich in de US Army in te lijven, hij probeert ergens bij te horen, te participeren in plaats van te aanschouwen. Hij neigt zelfs even naar een verwarde vorm van mysticisme: (over geloof) ‘Hij bestaat! Aangezien we ons zijn bestaan kunnen inbeelden, wordt Zijn niet-bestaan ondenkbaar. Het denken aan het Heilige kan niet anders dan een Heilige oorsprong hebben. Het twijfelen aan God, het zoeken naar God, wordt een bewijs van het bestaan van God.’
In dit opzicht vormt ‘Het Keerpunt’ een prachtige getuigenis: hier spreekt een wijfelende, groeiende man, een man die grif zijn tekortkomingen toegeeft, zijn naïeviteit in het herkennen van de politieke invloeden die zo bepalend gingen worden , hoe een jongen in het beschermd milieu van de jaren Twintig van vorige eeuw opgroeide. In die zin is deze autobiografie van wezenlijk belang. Maar anderzijds...
Anderzijds wordt er heel weinig vrijgegeven over de echte Klaus Mann. Bijvoorbeeld, ik het het boek getuigt Klaus van heel veel respect, ontzag bijna, wanneer hij over zijn vader spreekt. Nooit een kwaad woord. Hij lijkt inspanningen te doen om enkel de goede aspecten aan zijn relatie met zijn vader te belichten (zoals wanneer zijn vader hem een exemplaar signeert van zijn Nobelprijswinnende ‘De Toverberg’:
“ Aan mijn gewaardeerde collega.
Een beloftevolle vader.”
Het geeft de complexiteit aan in hun relatie. Klaus zal zich nooit kunnen ontdoen van de druk, het gewicht van de notoriëteit van zijn vader. Thomas was er zich van bewust, en probeerde er wellicht ondanks zijn stugge houding tekenen van affectie te tonen. Althans, in Klaus’ ogen – Klaus doet alle moeite om een portret te schilderen van zijn vader als permissieve, antentvolle vader. Mijn punt is dat er op dat vlak –zijn relatie met zijn vader, het gebukt gaan onder het gewicht van de vaderlijke naam- bitter weinig eerlijks in de autobiografie te lezen valt.
Hetzelfde geldt voor Klaus’ homofilie. Ook daarover blijft hij zwijgzaam. Het moet nochtans op hem gedrukt hebben, of tenminste een wezenlijk bestanddeel hebben uitgemaakt van zijn levelsvisie, zijn wording als intellectueel ?
Het zijn twee minpuntjes, maar ze nemen niet weg dat ‘Het Keerpunt’ een monumentale getuigenis is van een tijdperk, onmisbaar voor wie de eerste helft van de vorige eeuw beter wil begrijpen...
13:28 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
29-03-10
Amerikaan in Parijs (Ernest Hemingway)
De 21-jarige Hemingway in Parijs ? Dat moet vuurwerk geven, orgieën van drank en uitspattingen allerhande, gekruid met verfijnde analyses van het Parijs van de jaren ’20.
Niets van. Hemingway trakteert ons op wezenloze theevisites, droge bibliotheekbezoeken en van het Parijs van de jaren ’20 vernemen we niet veel meer dan de opsomming van de straatnamen uit zijn onmiddellijke omgeving. Dit alles met een naïeve, bijna kinderlijke ondertoon die niet hoeft onder te doen aan een ‘Catcher in the Rye’.
In zekere zin wel charmant dus, maar geen werk dat lang blijft nazinderen.
Dat kan ook aan het taalgebruik liggen, en wat dat betreft ben ik er nog niet aan uit of het aan de vertaling ligt, of aan mankementen die inherent aan Hemingway toe te schrijven zijn. Heb ik mij tenslotte niet een drietal keer aan zijn ‘Old man and the sea’ gewaagd –in een Franse vertaling -, zonder ooit pagina 30 bereikt te hebben? Misschien ben ik nog niet oud genoeg...
Of het aan de vertaling ligt of niet, het boek bezondigt zich in bijna elke alinea aan een ongepaste reeks van opsommingen, steevast aaneengereigd met het wansmakelijke bindmiddel ‘en’.
Een voorbeeldje:
(p 39) ‘Maar ze was prettig en charmant en gastvrij en achter haar, tot het plafond en tot in de achterkamer die op de binnenplaats van het gebouw uitzag, waren planken en nog eens planken vol met de rijkdom van haar bibliotheek’. Geeuw.
Dat kan nog aan de vertaling liggen, maar de beeldspraak die hier en daar wordt gebruikt kan enkel van Hemingway zelf komen, neem ik aan, en ook daar hapert een en ander, zo bijvoorbeeld wanneer hij Gertrude Stein, met wie hij af en toe gesprekken voerde, omschrijft: ‘Miss Stein was erg flink maar niet lang en had de zware bouw van een boerin’, of nog: ‘ze was aldoor aan het woord en in het begin ging het over mensen en plaatsen’.
Tja...
Nog een voorbeeld? Op een bepaald ogenblik bezoekt Hemingway een bibliotheek. Aan de muren hangen afbeeldingenen foto’s van litteraire meesters, wat Hemingway tot de geïnspireerde gedachte brengt: ‘zelfs de doden zagen eruit alsof ze echt eens geleefd hadden’.
Ik neem aan dat het geen foto’s betrof van de lijken van die schrijvers, dus het feit dat ze eruit zagen alsof ze nog leefden is vrij aannemelijk... diep, diep...
Er staan nog parels van onzin in, maar soms ontaarden die in niet te begrijpen taal. Wat moet men met de zin (p31) ‘Ze wilde weten de vrolijke kant van de wereld horen.’ Staat er letterlijk. Herlees gerust een paar keer, mocht u het begrijpen gelieve een boodschap achter te laten...
Het kan niet enkel aan de vertaling liggen. Demijmeringen van Hemingway overstijgen nooit het zeeniveau, ondanks de setting (lees wat Walter Bejamin en zoveel anderen over het Parijs van die tijd schreven), en ondanks zijn jeugdige leeftijd (want dat is geen excuus, integendeel).
Een voorbeeld, wanneer hij het heeft over het nochtans zo inspirerende onderwerp van de inspiratieloosheid van een schrijver: (p20) ‘Ik ging dan over de daken van Parijs staan uitkijken en dacht: Maak je geen zorgen. Je hebt altijd kunnen schrijven en nu zul je ook weer schrijven. Het enige dat je te doen hebt is één echte zin te schrijven. Schrijf de echtste zin die je weet. En tenslotte schreef ik dan een echte zin en ging dan van die zin uit verder.’ Geeuw geeuw.
Mocht u zich naar de boekhandel reppen teneinde in het boek de definitie te vinden voor een ‘echte zin’, laat staan voor een ‘echtste zin’, dan bent u eraan voor de moeite.
Ter verdediging, Hemingway is zich duidelijk bewust van zijn beperkingen als schrijver, zo bijvoorbeeld wanneer hij geconfronteerd wordt met de schilderijen van Cézanne: (p21) ‘Ik leerde iets van het schilderen van Cézanne, dat het schrijven van eenvoudige echte zinnen allesbehalve voldoende maakte om aan de verhalen de dimensies te geven die ik er probeer in te leggen’.
Mja, hou dan op met schrijven, zou de logica gebieden...
Ik staak het lezen op pagina 44, voorgoed genezen van de drang om het werk van Hemingway te ontdekken. Ongenietbare litteratuur is slecht voor de bloedsomloop.
(PS: ik heb het boek gelezen in de editie Meulenhoff/De Volkskrant, vertaald door ene A.J.G. Strengholt’s)

<-->
17:00 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
24-03-10
Marée Noire (Brigitte Giraud)
Slagen een vrouw met twee dochters, van wie de ex-man hen onverwacht verlaten heeft, en een jonge weduwenaar met een lastige zoon van veertien, erin samen opnieuw een gezin te vormen ? Op dit premisse bouwt Brigitte Giraud een indringend verhaal –je kan het bijna een studie noemen- dat geen antwoord op de vraag biedt , maar op uitstekende wijze de valstrikken, de uitzichtloze rederingen en panische angsten schetst die met de poging gepaard gaan.
De vijf ondernemen een reisje naar de Atlantische kust, met de bedoeling uit te zoeken of ze een gezin kunnen vormen, of ze met elkaar kunnen samenleven. De vakantie heeft vaak weg van een nachtmerrie, de spanning tussen de vijf is vaak te snijden, een nakend onheil lijkt op elk ogenblik te gaan losbarsten –treffend uitgebeeld door de olieramp die er op de kust van hun vakantieoord plaats vindt, en waarvan de dorpelingen de tastbare effecten afwachten.
Maar zijn deze spanningen, tussen vijf protagonisten die ergens gedoemd zijn met elkaar te leven, en er soms in lijken te slagen, niet tevens te vinden in ‘normale’ gezinnen ? Is het niet juist dat dat van hen een ‘normaal’ gezin maakt ? In die zin is Giraud’s verhaal een persiflage voor de onmogelijkheid –of de moeilijkheid- te communiceren, in om het even welk gezin.
Wat me tevens intrigeert is de narratieve toon die Giraud heeft gekozen voor dit stuk. Gezien het gevoelige thema had ze makkelijk kunnen kiezen voor een nostalgische, gestroopte stijl, maar ze blijft doorheen de roman een koele, bijna afstandelijke toon aanhouden. Dit creëert een intrigerende sfeer, ik heb me voortdurend afgevraagd of de schrijfster (de roman is in ‘ik’-vorm geschreven, vanuit het perspectief van de gescheiden vrouw) afstand probeert te houden van de toestand omwille van een diep ingebakken falingsangst, omdat ze de situatie gewoon niet aankan, of omdat ze fundamenteel niet meer in staat is ware gevoelens te ervaren, alsof de trauma’s van het verleden haar hebben ontzenuwt.
Al bij al een lectuur die blijft nazinderen, en een schrijfster die ik zal blijven volgen.

Click hier om het boek te kopen: Marée noire
12:13 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) | Email dit
|
|
Facebook |
13-03-10
Brief van een onbekende (Stefan Zweig)
Moeilijk, zoniet onmogelijk om niet tot in de diepste vezels ontroerd te zijn door deze bekentenis, die vaak als voorbeeld wordt aangehaald om het meesterschap van Zweig’s novellen aan te tonen –hij schreef deze in 1922, rond dezelfde tijd als zijn biografie van Erasmus.
Een veertigjarige auteur krijgt op een ochtend een brief, waarin een vrouw hem haar liefde verklaart die ze al sinds ze dertien was en in het appartement naast hem woonde, koesterde. Doorheen haar leven volgt ze hem als een schim, vanop een afstand, vol passie en overgave.
Hun wegen kruisen elkaar twee maal, bijna toevallig, twee ogenblikken waarop hij haar gewaar wordt, haar versiert en met haar de nacht doorbrengt, om haar s’anderdaags volledig te vergeten. De eerste nacht was ze een jong, naïef meisje. Uit deze nacht zou een kind voortkomen, waarvan hij het bestaan pas met deze brief verneemt. De tweede nacht is ze al een aantrekkelijke vrouw ‘van de wereld’, maar hij ziet haar aan als een luxe-prostituee en betaalt haar wanneer ze s’ochtend zijn appartement verlaat.
De auteur in kwestie is nochtans geen onmens, integendeel, het is een gentleman. Maar het is zijn duale karakter, die zij zo goed inschat en om dewelke ze juist passioneel verliefd is op hem, die hem zo doet handelen: ernstig en verantwoordelijk voor zaken van wereldlijke orde, frivool en zorgeloos voor zaken als emoties en vrouwelijke verroveringen.
De dramatische ondertoon van de novelle wordt gevormd door het feit dat hij haar tot tweemaal toe versierde zonder haar te herkennen, dat ze geen identiteit leek te hebben in zijn ogen, geen ‘vaste vorm’, alsmede door haar noodlottige berusting in dit feit, een berusting die enkel kan voortvloeien uit werkelijke liefde, uit onvoorwaardelijke overgave.
Aanzet voor de brief is de dood van haar (hun) kind, en haar nakende zelfmoord. De brief is in werkelijkheid een laatste poging om het recht op te eisen herinnerd te worden door de man die ze liefhad, een allerlaatste roep om zichzelf te kunnen zeggen ‘ik heb bestaan’.
Zoals vaak bij Zweig is ook in deze novelle sprake van een dubbele laag, want is de jonge auteur die de brief ontvangt geen kopie van Zweig, die op zijn minst niet ongevoelig was voor het vrouwelijke schoon en bij dewelke hij dankzij zijn spirituele geest en zijn natuurlijke elegantie niet weinig successen boekte ? Kan men zich Zweig zelf inbeelden, die op zijn veerstigste een soortgelijke brief ontvangt ?

Clik hier om het boek te kopen (Franstalig): Lettre d'une inconnue
<-->
15:59 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
22-02-10
Trois hommes seuls (Christian Oster)
Ik heb niets tegen ‘road movies’, nog minder in de litteratuur. Een roman hoeft niet overladen te zijn met daden, hoeft zelfs geen richting te hebben. Het thema van de leegte, het gebrek aan daden, de stille evolutie van de omgeving wanneer er geen beweging is... Kan allemaal. Het inspireert goede schrijvers vaak tot diepere gedachten, originele inzichten, laat staan een nieuwe stijl of een aanzet voor de lezer om even stil te staan en zelf na te denken.
Er bestaat echter een fijne grens tussen de stille contemplatie of de creatieve leegte die ik hierboven bedoel, en de volkomen leegte in de zin van een oppervlakkig, leeghoofdig relaas. Echte leegte dus.
Dit boek heeft duidelijk de grens gevonden, en is er met rasse schreden overheen gestapt. Oh, er zit een verhaaltje in, maar niet echt de moeite om over uit te weiden. Er is ook een stijl, in die zin dat woorden er zich in een bepaald patroon op elkaar volgen. Verder geen reflectie, geen originele gedachte. Een litterair non-event.
Toch een rare uitgeverij, die ‘Editions de Minuit’. Zijn elegante, sobere en aangename vormgeving is een oogstreling in eenieders bibliotheek, maar zijn auteurskeuze heeft me al meer dan eens verbaasd. Toegegeven, ze zijn op zoek naar –en vinden vaak- auteurs met een ‘nieuwe stem’, een eigen stijl, een specifieke narratieve toon -tenslotte hebben ze ook de meeste werken van Margueritte Duras in portefeuille. Maar deze zoektocht schippert vaak op de grens die ik hierboven bedoelde: auteurs als Echenoz, Pinget of de Christian Oster die ik net uit heb, kun je moeilijk betichten van hoge litteraire waarde.
Bon, ik heb nog een aantal hedendaagse auteurs te ontdekken volgende maand, maar ik vermoed dat ik opgelucht zal zijn wanneer ik terug ‘klassieke’ auteurs ter hand zal nemen...

<-->
13:32 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
14-02-10
De laatste dagen van Stefan Zweig (Laurent Seksik)
Laat me meteen met deur en al in huis vallen: voor diegenen die geïnteresseerd zijn in de gemoedstoestand van Stefan Zweig in de laatste dagen voor zijn zelfmoord, is zijn ‘De wereld van gisteren’ het enige geldige referentiepunt.
Wat Seksit’s werk ‘De laatste dagen van Stefan Zweig’ echter bijzonder maakt, is dat het voor het eerst de laatste vrouw van Zweig, Lotte, die hem in zijn zelfmoord zou volgen, aan het woord laat. Zweig zelf noemde haar amper in zijn brieven of schrijfsels, als was ze slechts bijzaak.
Het mag verbazen van iemand die gekend stond om de psychologie van de vrouw zozeer te hebben doorgrond, dat hij deze van zijn eigen vrouw zo weinig lijkt te hebben gevat. Ze was vijfentwintig jaar jonger dan hem, hield intens en onvoorwaardelijk van hem, was een een onmisbare hulp in zijn schrijven, was astmatisch en door zijn onophoudelijke verhuizen nog zieker geworden (vreemde gelijkenis met Gide’s ‘Immoraliste’), maar blijkbaar was dit alles niet voldoende voor Zweig om haar wat genegenheid te geven. Hield hij heimelijk nog van zijn eerste vrouw, met wie hij de herinneringen aan zijn verloren wereld deelde ?
Onthutsend is het om vast te stellen dat hij deze relatie, en de dramatische afloop ervan, reeds had opgetekend in zijn biografie van de Duitse dichter Klein. Zoals zijn vriend Feder hem zei: in zijn biografieën sluipen heel vaak elementen van Zweig’s eigen leven.
Hoogtepunten van de roman zijn de ingebeelde gesprekken van Zweig met diens overleden meester Joseph Roth, en met de tevens in Brazilië gevluchte Bernanos. Nog mooier is hoe beeld word gegeven aan de twijfels van Zweig over diens erfenis als schrijver. De twijfels worden weliswaar ontkracht door zijn vriend Feder, die een mooie uitleg geeft van hoe Freudiaans de boeken van Zweig zijn, door hun originele invalshoek: de schrijver die luistert naar de bekentenissen van een derde. Niettemin blijft Zweig doorheen het boek twijfelen aan zijn kwaliteiten als schrijver.
Al bij al is dit een cruciale roman voor liefhebbers van Zweig, voornamelijk om het feit dat Seksit aandacht besteed aan hoe zijn laatste levensgezellin hem had gezien, of had kunnen zien, om preciezer te zijn. Daardoor, en door het feit dat de schrijver zich nooit opdringt, nooit oordeelt, nooit werkelijk aanwezig is, vormt het in sé een ware ‘Zweigse’ roman. Zweig hoeft zich niet in zijn graf te keren.
Klik hier om het boek te kopen (Frans)
11:19 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
10-02-10
De eerste slok bier (Philippe Delerm)
Ik heb me voorgenomen om me de komende maanden weer eens toe te leggen op hedendaagse Franse auteurs. De laatse jaren heb ik ze een beetje links laten liggen, deels omdat ik nog zoveel klassiekers had (en heb) in te halen, deels omdat ook andere thema’s me interesseren –je zou het niet merken als je deze blog overloopt, maar ik ben ook geboeid door wetenschappelijke, maatschappelijke, geschiedkundige en andere thema’s, het komt en gaat met vlagen.
Weliswaar, sinds ik deze blog vorig jaar ben begonnen, heb ik enkele van deze hedendaagse Franse auteurs ontdekt: Parisis, Modiano, Barbeville, Aubry... De Nothombs, Van Cauwelaerts en andere Claudels (Philippe) waren me al bekend. Maar er zijn er nog zoveel te ontdekken, en sinds ik vurig de ‘Lire Magazine’ en de ‘Magazine des Livres’ ben beginnen lezen, is mijn orderboekje op Amazon.fr een waar puzzelwerkje geworden –tja, ook mijn budget is beperkt ;-)
Een van die auteurs waar ik nog nooit iets van had gelezen, maar waar ik via recensies wel in geïnteresseerd ben geraakt, is Philippe Delerm.
Van wat ik uit die recensies heb begrepen zou Delerm een meester zijn ik het ontrafelen van de schoonheid achter de kleine dingen van het leven. Zijn laatste –‘Quelque chose en lui de Bartleby’ oogst vrij veel lof, maar ik besluit met het werk te beginnen waar hij in 1997 mee doorbrak: ‘La première gorgée de bière –et autres plaisirs minsucules’ (‘De eerste slok bier –en andere kleine geneugten’).
De subtitel is niet onbelangrijk hier, het gaat wel degelijke om kleine, t’is te zeggen alledaagse geneugten, vastgelegd in twee, maximum drie pagina’s per thema. Die thema’s variëren van nat wordende espadrilles in een warme zomeravondbui tot het in afgesproken stilte peulen van doperwtjes in de huiselijke keuken.
Het levert mooie gedachten op, zoals de veranderende sfeer wanneer men tijdens een bezoek bij vrienden ongepland wordt gevraagd om mee te eten –een ‘zoete inval’ die een hele wereld opent-, of de onmogelijkheid om op het strand een waardevol boek te lezen –geen enkele positie is confortabel genoeg.
Geluk vindt men in kleine dingen. De vederlichte gedachten in dit boekje zijn er een mooie, eenvoudige getuigenis van.

<-->
16:57 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
01-02-10
Le Souper (JC Brisville)
Dit is een van de redenen waarom ik –op geschiedkundig vlak- zo veel van de negentiende eeuw houd: beeld u zich een gesprek in tussen twee van de meest intrigerende –en intrigante- personen uit de moderne geschiedenis. Beide hebben de Franse Revolutie, de Dictatuur en het Directoire overleefd –wat voor Tallayrand, die uit de hoogste adel afkomstig was, iets minder evident was dan voor Fouché. Beide waren politieke vrienden van Napoleon maar weerhielden zich niet hem te laten vallen na Waterloo. Beide zouden voor de restauratie ijveren –iets minder evident voor Fouché dan voor Tallayrand-, terug onder Napoleon II dienen en de tweede Restauratie in de hand werken.
Een meer kronkelige carrière kan men zich moeilijk inbeelden.
Ondanks dit bijna gelijklopend parcours hadden beide mannen een grondige afkeer van elkaar. Tallayrand was een geraffineerde, broze aristicraat, waarvan voornamelijk de contacten met de Prinselijke huizen van Europa onontbeerlijk zouden zijn voor Frankrijk. Fouché was een vaderloze zoon uit de armste streken van Frankrijk, die zich met bloed (de ‘slager van Lyon’) en intriges op zou werken tot minister van de Politie. In die functie zou hij voor het eerst een ‘geheime dienst’ ontwikkelen, wat hem dan weer onmisbaar maakte voor Frankrijk: hij wist hoegenaamd alles wat er zich op het grondgebied afspeelde (lees hierover de uitstekende biografie van Zweig over Fouché).
Ze waren dus door de omstandigheden gedoemd met elkaar rekening te moeten houden, zoniet samen te werken, omdat ze zichzelf onmisbaar hadden weten te maken voor om het even wie de macht had in Frankrijk.
Beeld u zich nu in dat beide heren het tijdens na de val van Napoleon samen zouden dineren om de toekomst van Frankrijk te bepalen, terwijl Fouché eindelijk zijn grote droom had waargemaakt en de ‘voorlopige’ regering leidde –al was het in een triumviraat-, terwijl Louis XVIII staat de wachten aan de poorten van Parijs, terwijl buitenlandse soldaten –Oostenrijkers, Engelsen en Russen, tot groot ongenoegen van het volk in de straten van Parijs paraderen, en terwijl het volk –de jacobijnen- aan de poorten van het paleis van Talleyrand staan te dringen in een hernieuwde sfeer van opstandigheid.
Het kan niet anders dan vuurwerk opleveren. Enters het toneelstuk ‘Le Souper’ van Jean-Cloude Brisville, overigens uitstekend verfilmd met Claude Rich en Claude Brasseur in de hoofdrollen.
Talleyrand probeert Fouché ervan te overtuigen de terugkomst van Louis XVIII op de troon te steunen. Fouché, die na de revolutie in Lyon de moord op een groot deel van de lokale aristocratie had georganiseerd, en zich dus niet bepaald geliefd had gemaakt in de ogen van de Bourbons, vraagt garanties om zijn politieke macht –het ministerie van Politie- te behouden. Volgt een wervelend gesprek gekruid met chantage en verleiding, verfijnde politieke analyses en machiavelistische observaties.
Het is nooit duidelijk wie er wie precies beïnvloed, wie de bovenhand heeft op wie. Beide heren zijn aan elkaar gewaagd, al strijden ze met verschillende wapens –Tallayrand met verfijnende zinspelingen, Fouché met een verniettigend cynisme.
Chateaubriand die, de dag na het ingebeelde diner, Tallyerand en Fouché arm in arm zag buiten komen van hun audiëntie met Louis XVIII , noteerde hierover een zeer gevatte opmerking in zijn ‘Mémoires d’Otre-Tombe’: ‘Le vice aux bras du crime’ (‘De ondeugd in de armen van de misdaad’).
Twee voorbeeldjes van de dialogen die in het werk gevoerd worden:
Fouché : on de s’ennuie pas avec vous, monseigneur.
Tallayrand : Et moi qui m’ennuie tant avec moi-même ! on ne saura jamais, Fouché, tout ce que ma carrière doit à mon ennui.’
(ze horen schoten op straat)
Fouché: Pourquoi tiraillent-ils encore ?
Tallayrand : Parce qu’ils ne sont pas content. Et vous savez ce qu’est un mécontent, Fouché ? C’est un pauvre qui réfléchit.
…een schitterend werkje !
(klik hier om het boek te kopen in het Frans)
15:18 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
28-01-10
De ziekte van de dood (Margueritte Duras)
Een man zou een vrouw betalen om enkele nachten met hem door te brengen, om te zien of ‘het’ mogelijk zou zijn, of hij aan haar zou kunnen wennen, een schijn van liefde zou kunnen voelen. De betaalde nachten die volgen zijn gevuld met –subtiele- moordgedachten, ruwe –maar enigzins verholen- sex (nooit met open ogen), fundamentele twijfels over de mens, over zichzelf, over de andere. Tja, welkom in de wereld van Margueritte Duras...
De vrouw-hoer die feitelijk door niets te doen -door gewoon te zijn- een vreemde macht ontwikkelt over de man, de claustrofobische ‘huit-clos’ in de slaapkamer, de onmogelijke communicatie tussen twee richtingloze mensen... de lievelingsthema’s van Duras komen ook in deze tekst overmatig aan bod.
Origineel is wel het narratieve uitgangspunt. De verteller –Duras- spreekt de man aan en vertelt hem wat hij zou hebben kunnen meemaken, vanuit een soort moreel perspectief. Hoewel ze geen oordeel velt lijkt ze door haar taal de man toch iets te verwijten, een beetje als was ze de bedrogen –maar begrijpende- vrouw van de man in kwestie.
Misschien biedt een ruwe vertaling van de eerste paragrafen een beter idee van wat ik hierboven bedoel:
“ U zou haar niet mogen kennen, u zou haar overal tegelijk moeten kunnen gevonden hebben, in een hotel, op straat, in een trein, in een bar, een boek, een film, in uzelf, in jou, overgelaten aan het toeval van je stijve lid in de nacht, op zoek naar waar zich te plaatsen, waar zich te ontdoen van de tranen waar het mee gevuld is.
U zou haar kunnen betaald hebben.
U zou gezegd hebben: er moeten elke nacht gekomen worden, meerdere dagen opeen.
Ze zou je lang hebben aangestaard, en ze zou u gezegd hebben dat het, in dat geval, duur zou zijn.”
Duras heeft een heel eigen, onnavolgbare taal ontwikkeld. Het blijft een verrijkende, indringende ervaring om haar te lezen.

Click hier om het boek te kopen: La maladie de la mort
20:43 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |
26-01-10
Hors de moi (Didier Van Cauwelaert)
Ik had nog maar één werk van Van Cauwelaert gelezen, in 94, wanneer hij de Goncourt won met ‘Un aller simple’. Het is verbazend en onterecht dat ik hem niet ben blijven volgen. Verbazend, gezien zijn ‘Un aller simple’ een heel vermakelijk werk was. Onterecht, gezien hij –zo lees ik op de achterflap van ‘Hors de moi’-, in de tiental werken die hij na het winnen van de Goncourt schreef is blijven verderwerken op het thema identiteit, op zich toch een interessant thema.
In ‘Un aller simple’ betrof het een illegaal in Frankrijk die omwille van een administratieve dwaling naar zijn vermoedelijke land van herkomst wordt teruggestuurd. Hij wordt echter naar een verkeerd land teruggestuurd, waardoor de hoofdpersonnage zichzelf –zijn identiteit- verliest in een moerras van –meestal grappige- misverstanden.
In deze ‘Hors de moi’ (misschien best te vertalen als ‘Uit mijzelf’) wordt een man die na een ongeluk uit de coma geraakt, geconfronteerd met het feit dat een andere man zijn identiteit blijkt te hebben ontvreemd; ‘de andere’ heeft een paspoort op zijn naam, leeft samen met zijn vrouw, heeft exact dezelfde gespecialiseerde botanische kennis als hem, etc. Blijkt, schrijf ik, want er zitten gaten in zijn herinneringen, in de zekerheid over zijn eigen identiteit.
Volgt een mooie, ietwat vreemde en paranoïde gedachtengang, schipperend tussen waaanzin, de opbouw van een persoonlijkheid en het vastklampen aan wankele waarheden. De gedachtengang is in die zin universeel dat hij aanspoort tot een analyse van wat onze eigen identiteit werkelijk inhoudt. Is het slechts een opeenhoping van herinneringen die op een schamele manier aan elkaar vastkleven? Of vallen er achter deze waanbeelden vaststaande feiten te ontdekken?
Ondanks het wat ontgoochelende einde is dit boek de moeite waard, juist omwille van de gevoellige zoektocht naar de identiteit van een man die alle herkenningspunten omtrent zijn identiteit verloor.
Geen allergroot roman, dat geef ik toe, maar niettemin komen er nog een tweetal boeken van Van Cauwelaert op mijn nachtkast dit jaar.

Click hier om het boek te kopen: Hors de moi
21:48 Gepost door Frederic De Meyer in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit
|
|
Facebook |